zaterdag 29 september 2018

Overal beessssstjes





Vanmorgen deed ik mijn ogen open en zag dat het plafond overdekt was met zwarte rondjes, een paar millimeter groot. Ik knipperde eens flink met m’n ogen maar ze zaten er nog steeds. Bij nader onderzoek (zo handig een bioloog in huis te hebben) bleek het om de invasieve soortgenoot van ons eigen ‘Bête de bon dieu’ te gaan, het Japanse lieveheersbeestje. Wel in piepkleine uitvoering, wat bemoedigend is: kevertjes zijn altijd in één keer klaar, groeien niet meer en als ze zo klein blijven is hun einde in het verkeerde werelddeel nabij en dan kunnen die van ons de boel weer overnemen.


Want wat hebben we veel beestjes. Enorme (kelder)spinnen, vliegen, bijen en wespen in allerlei soorten en maten, prachtige kolibrivlinders, vlinders in het algemeen. En tipuliden. In deze tijd van het jaar kruipen die gammele grote muggen, die eigenlijk nergens anders toe dienen dan er gewoon te zijn, uit de grond. Ik heb een enorme hekel aan die stakerige griezels met hun onuitstaanbaar mooie naam. Ze houden er erg van in huis te zijn, dus trek je de gordijnen dicht, dan fladderen er gelijk drie, vier, uit. Echt een beetje fatsoenlijk vliegen kunnen ze niet.  Ze gaan bij voorkeur aan het plafond hangen, zodat ze zich zodra jij het licht uitdoet kunnen laten vallen en in je nek en in je neus kruipen. In hun ondergrondse larvenstadium zijn ze ook nog eens een behoorlijke pest, want ze eten graswortels en kunnen je hele gazonnetje naar de knoppen helpen. Eenmaal veranderd in mug, is de langpoter alleen maar aanwezig om zich voort te planten en als vleermuizenvoer te dienen. Maar ja. In het kader van All things bright and beautiful gedogen hem. Hij is er maar even, maar dit jaar wel in groten getale.

Ook grappig is dat wij een soort pratend luik hebben. Er zitten één of twee vleermuizen achter en die maken vreemde, krakende geluiden, soms in grote opwinding. Ik doe het luik maar niet open (of dicht, het is maar hoe je het bekijkt). We hebben ook ergens een slang en ooit waren er hagedissen, maar die hebben we al jaren niet meer rond het huis gezien. Als er geen vee is lopen er reeën en er zijn wilde zwijnen: eentje kwam eens voorbij gedaverd, er werd vast jacht op hem gemaakt en aangezien er op B(r)oers land niet gejaagd mag worden, vond hij hier een veilig heenkomen. Dit jaar was er voor het eerst een fazantenfamilie met zeker zes grootgebrachte jongen. Waarschijnlijk een paartje gevormd door overlevers van de uitgezette fazanten voor de jacht. 


Inmiddels hebben we dertien eikelmuizen gevangen in de vangkooi (gemiddeld om de dag één) en gisteren liep er opeens eentje in de tuin. Hij had het kenmerkende laconieke van ‘wie doet me wat’ over zich, kuierde wat door het gras, kroop door het gaas, klom als een eekhoorntje in een conifeer en werd toen gegrepen door onze Hollandse Smous Ronja. Onmiddellijk ontstond er een strijd op leven en dood tussen D., de hond en de muis. Ronja peinsde er niet over zich haar prooi te laten ontfutselen, D peinsde er niet over om een van zijn geliefde muizen door de hond te laten afslachten en brulde ‘Laat Los’, de muis piepte zo hard als hij kon, wat zo allemaal bij elkaar toch wel een bijzonder tafereel opleverde. Tenslotte won D., zoals het hoort, de hond diep beledigd achterlatend. De muis zat nog een tijdje geschokt na te piepen in het struikgewas en toen werd het
 stil.  Hoe dan ook, ze gaan al bijna in winterslaap om dan pas begin april weer wakker te worden. Er hebben zich vast al een paar in het steenwol genesteld, want de laatste dagen blijft de camembert in de vangkooi onaangeroerd. Alle elektrakabel op zolder is afgedekt met muizengaas en er zijn gaten in de vloeren gedicht met cement. Kosten noch moeite zijn gespaard de muizen buitenshuis te houden.  Maar als het gaat over man en muis, dan weet ik wel wie de uiteindelijke winnaar is. En dat geldt eigenlijk voor alle beestjes. Daarom kunnen we ze toch maar beter te vriend houden.

 



zondag 16 september 2018

Patrimoine





De Openmonumentendagen in Frankrijk heten de ‘jours de patrimoine’. Het klinkt een beetje 'vaderlands,' dat woord, maar het betekent eigenlijk niets anders dan in NL. We hebben het hier over cultureel erfgoed en dat komt ook tot uiting in het bezoek dat we deze ochtend brengen aan de ‘ferme d’antan’ in Rai. 364 dagen van het jaar staat deze grote met gemeenschapsgeld  gerestaureerde boerderij met zeker vijf opstallen, een op hout gestookte broodoven, vele landbouwwerktuigen en een museumwinkel waar niets te koop is, leeg een heleboel geld te kosten. Eén dag van het jaar kun je de ferme gratis bezoeken en zijn de stallen en het land gevuld met voornamelijk bejaarde vrijwilligers die ons met de beste bedoelingen uitleggen en laten zien hoe het er vroeger aan toe ging in zo’n gemeenschap. Ons eigen huis maakte overigens ook deel uit van zo’n gehucht. Daar is bijna niets meer van over.

Bij aankomst kijkt één vriendelijk geüniformeerd persoon even in je tas en dan stap je honderd jaar terug in de tijd, zeker wij vanochtend want B(r)oer, Schoonzus en ik we waren onfrans vroeg op pad. We hadden nl ook een afspraak voor le repas du midi en D. mocht een rondvluchtje maken met Gaetan in zijn ultralight vliegtuigje! Die was dus niet mee naar Rai. 



Het was een prachtige ochtend, de nevel was nog maar net opgetrokken in de vallei bij Rai, er was een hoop te zien en B(r)oer leerde voor het eerst van zijn leven verse roomboter te maken. Dat bleef hangen, natuurlijk, dus dat opende ook direct perspectieven. De demonstraties met die ontroerend grote paarden, de Percherons, vind ik altijd het allermooiste. Als er ergens Percherons te zien zijn, ben ik er ook. Het is een soort knuffelpaard, zichzelf er absoluut niet bewust van dat hij 1000 kg weegt en daar heel wat mee zou kunnen uitrichten - ware het niet dat hij gewoon doet wat zijn baas tegen hem zegt. Meestal.  Er was wel een stuk akker aangeplant met aardappels, wortelen, kolen en pompoenen en de paarden waren ingespannen om de aardappels te rooien. Achter de machine raapten een stuk of acht mensen, jong en oud, de aardappels en lieten daarmee direct zien hoe het boerenbedrijf vroeger zoveel meer mensen aan het werk had dan nu het geval is. Dit beeld en de stap naar een door één persoon aangedreven aardappelrooimachine is bijna niet voor te stellen. Mij hoor je niet zeggen dat het vroeger beter was, maar of dat nu wel zo is, wordt onderhand ook steeds lastiger te verdedigen.



Met onvoorstelbare snelheid zaten een paar dames te kantklossen, het blijft raadselachtig om te zien hoe ze de spelden verplaatsen en er weer een klosje overheen gooien. In een belendend kamertje probeerde een andere mevrouw een jonge blom uit te leggen hoe ze op vier naalden moest breien. Er waren mannen die over de natuur vertelden en kinderen konden kleien en mozaïeken. We bekeken de landbouwdieren en ik vond het kippenras dat chocolade-eieren legt! Tegen twaalven moesten we toch echt weg, maar aangezien schoonzus een paar broden mee wilde nemen en die op waren, moesten we tijdens het wachten maar alvast een apéro nemen. Zelfs een bekertje cider hakt er op dat tijdstip aardig in, dus toen we eenmaal het gloeiend hete brood in een papieren zak meekregen braken we ook gelijk maar even een stuk van de korst af. Er is eigenlijk bijna niks lekkerder dan dat. 

Na een copieus en uiterst gezellig middagmaal reden tegen vijven weer naar huis. Het was weer een memorabele dag. Een pareltje erbij, aan de ketting.



maandag 10 september 2018

Bol



Jean is geboren en getogen in het huis waarin hij nu 86 jaar woont, waarvan 65 jaar met Marie. Zij kwam uit een dorp hier zeven kilometer vandaan.  Ze spraken daar met nét een beetje een ander accent, maakten de cider nét even anders, maar deze verschillen bleken overbrugbaar. Naast elkaar zitten ze aan de keukentafel te stralen. Het leven is niet altijd goed voor ze geweest, maar ze zijn er nog en zijn heel monter. We zitten er al een half uur voor we koffie krijgen. De meegebrachte stroopwafels vallen in goede aarde. Bij het tweede kopje bieden ze ons er nog één aan. Ik kijk met een schuin oog naar de klok, want ik bemerk enige onrust: het is al kwart voor twaalf, we moeten gaan, rond midi moet de warme hap op tafel staan. Met veel gezoen en geknuffel en gezwaai nemen we afscheid. Onze lunch bestaat uit een stokbroodje camembert en gebakken ei, met een kop thee of glas vruchtensap erbij. Daar zijn we max twintig minuten mee bezig, dan kunnen we weer doorrrr! 


Toen Mathilde en een paar van haar vrienden een paar jaar geleden bij ons in NL op visite waren en wij de ontbijttafel gedekt hadden met brood en hagelslag, bekeek de visite misprijzend hun koffiemok. Men haalde opgelucht adem toen ik met een bol, een kom, aankwam. De café-au-lait werd overgeschonken, voorzichtig sneed Mathilde een bruine boterham in vier reepjes en besmeerde ze met boter, waarna het reepje brood in de mok gedoopt werd, wat een behoorlijke kliederboel werd maar àlà. Met grote ogen keek ze naar de chocoladehagelslag die D. kwistig over zijn boterham strooide. Voor tussen de middag hadden we een lunch bedacht in een pannenkoekenrestaurant, dan was er tenminste iets betaalbaars warms te eten. En gelukkig eten we ’s avonds al nooit voor 19.00 uur, maar nu moesten we het stamppotbuffet na een uitgebreide apéro toch uitstellen naar een uur of half 9. Tenslotte rolden we uitgeput na een hele dag Frans praten en proberen te verstaan in bed.

In Frankrijk volgen we het nieuws via NOS.nl en leren dat Zweden weer meer ultrarechtse stemmers heeft. Iedereen valt over elkaar heen om te roepen hoe verkeerd dat allemaal is. Niemand lijkt in staat in te zien en te erkennen dát er verschillen tussen samenlevingen zijn en dat het een hele toer blijkt daarmee goed om te gaan. Dat het misschien verstandig is de ‘onderbuik’gevoelens van de inheemse bevolking nu eens serieus te nemen, zonder direct beticht te worden als nazist en fascist. Want dat die gevoelens er zijn, mag best erkend worden.

Denemarken lijkt een land te zijn waar het probleem niet meer zo zwartwit benaderd wordt. Daar erkent men dat de Deense bevolking problemen heeft met immigranten. Er wordt actief gewerkt aan integratie. Duidelijk wordt gemaakt dat als er op school islamitische kinderen zitten, de ouders daarvan niet het recht hebben te eisen dat varkensvlees niet meer op het menu mag staan. Dat is niet aan hen. Maar dat hun kinderen het natuurlijk niet hoeven te eten. Dat de overheid bespreekbaar maakt dat mensen uit andere landen welkom zijn, maar dat het niet zo is dat het gastland zich dan moet aanpassen aan hun gewoonten en wetten. Dat er van gasten in een land verwacht mag worden dat zij de gewoontes daar respecteren. Dat doen wij Nederlanders in Frankrijk of waar ook ter wereld toch ook? En zo niet, dan krijgen we toch straf? 
Als er nou eerst eens een politieke partij kwam die daadwerkelijk erkent dat mensen nu eenmaal zo in elkaar steken. Ik bedoel maar, zelfs op zeven kilometer heb je al een cultuurverschil. Ook binnenslands.

Wij drinken in Frankrijk ’s ochtends onze thee niet uit een bol maar uit een theeglas en eten nog steeds ’s avonds onze hoofmaaltijd, behalve als we op visite zijn. Wij doen ons best Frans te spreken en we houden (meestal) onze mond als we dingen zien of horen die toch echt wel bestempeld kunnen worden als ‘typisch Frans’. Ik vraag me wel eens af, hoe dat zou zijn als Fransen opeens massaal naar Nederland uit zouden wijken. Eén ding: het zou de verkoop van bols érg bevorderen. Want integreren is niet iedereen gegeven. 
























donderdag 30 augustus 2018

Verzameling




Een verzameling ontstaat vaak eigenlijk volkomen onbewust. Pas na enige tijd realiseer je je dat je een verzamelaar bent. En dat terwijl je dat eigenlijk helemaal niet wilde.

Mijn verzameling begon op een zonnige zondagmiddag in augustus 2003. De huisartsenvrouw had met een vriendin in de voormalige praktijk van hun woning een winkeltje ingericht met Franse brocante. Dat stond toen nog een beetje in de kinderschoenen dus ze hadden hier wel een gaatje in de markt te pakken. Zij waren begonnen Franse spulletjes te verzamelen tot het niet meer in hun interieur paste en toen gingen ze het verkopen. Heel slim, zo houd je een verzameling overzichtelijk én levendig. Op een plank in de behandelkamer stonden twee voor mij tot dan toe onbekende objecten. Het waren een soort trommeltjes, ze waren geëmailleerd, de ene had een extra aluminium bakje bovenin en ze konden dichtgeklemd worden met aan weerszijden een klemmetje, waar het handvat nog weer overheen ging zodat het onmogelijk was het trommeltje open te laten vallen. De binnenkant was in een heel andere kleur geëmailleerd. Geen van beide uitbaatsters kon mij vertellen wat dit voor trommeltjes waren. Geïntrigeerd door de terloopse schoonheid van toch een industrieel product kocht ik er één voor 7 euro. Twee leek me onnodig. Bovendien miste die het aluminium bakje. Ik nam het mee naar huis en zette het in mijn vitrinekast. Zo kon ik er elke dag naar kijken.

In datzelfde jaar kocht onze vader het familiehuis waar wij nu naartoe gesemigreerd zijn. Er waren toen in de omgeving nog tal van brocantewinkels en omdat het huis moest worden ingericht, kwamen we daar regelmatig. Op één van die bezoeken trof ik, hangend aan een spijker, weer zo’n trommeltje aan. Het had een heel andere kleur, ook van binnen. Aan de eigenaar vroeg ik hoe zo’n trommeltje heette en waar het voor diende. Hij zei dat het een gamelle was, een soort lunchbox. Hoe, wat, waar en wanneer, dat wist hij allemaal niet. Hij wilde er tien euro voor hebben, ik hing hem terug. We kwamen uit op 7. En misschien was ik me er toen nog niet van bewust, maar op dat moment begon mijn verzameling. Want ik had er nu twee. En toen manlief er één tussen de rommel vond in de oude remise, een prachtige donkerrode, wist ik dat het zo moest zijn.

In de jaren daarna speurden wij in brocantewinkels (waar er steeds minder van kwamen) en op vide greniers en foires-à- tout (waar er steeds meer van kwamen) naar gamelles. Maar héél zelden vonden we ze. In het begin waren ze nog best prijzig, maar ik had mezelf beloofd er nooit meer dan 7 euro voor te betalen en dat lukte altijd. Er waren ook regels in het spel: alleen ík mocht ze vinden, manlief niet en ik wilde ze ook niet cadeau krijgen. Andere mensen gingen namelijk meehelpen en de sport van een verzameling vind ik nou juist dat je het helemaal alleen moet doen. Ik heb wel een paar keer gesjoemeld. Een keer zag ik aan de opgewonden lichaamstaal van manlief dat er eentje in de buurt moest zijn (en dat waren er zelfs twee) en één keer belde mijn broer, die had een puntgave groene gevonden in een Rodekruis winkel. Voor 2 euro. Tja, die kon ik toch niet laten staan.


Maar goed, eind 2016 had ik dertien gamelles en was ik nog altijd weinig wijzer over waar ze voor dienden. Ze stonden op een plankje in mijn woonkamer en dat plankje was vol. Dus ik besloot mijn verzameling te beëindigen. Het was mooi zo.

We verhuisden en bij gebrek aan displaymogelijkheden bleef mijn verzameling in een doos op zolder. En toen vond ik vorige week op de vide grenier een knalblauwe gamelle. Het dekseltje miste de rubberen ring maar ik had ook al een kraam gezien waar ze alleen dekseltjes verkochten (nooit eerder aangetroffen, overigens) dus voor 2,50 in totaal had ik er tóch weer één. En afgelopen zondag waren we in St. Ouen-sûr-Iton en daar zag een logerende vriendin een gespikkelde gamelle in een iets andere uitvoering dan de veertien andere dus die heb ik nu ook toegevoegd. Er stond een naam op het klemmetje: Fricotine. Ik heb ook een redelijk moderne rode, daar zit zelfs een barcodesticker op en er staat op: Acier Emaillé pour Pain Marie. Als ik op internet ga zoeken word ik weinig wijzer. Pain Marie leidt zelfs naar onvermoede websites.

Er wordt beweerd dat ze door mijnwerkers gebruikt werden. Ik ben in Alès in het mijnmuseum geweest en heb daar geen gamelles (of cantines) gezien, tenminste geen geëmailleerde. Voor een volwassen man of vrouw vind ik de porties ook klein. En waarom zit er een los bakje bij? Deed men daar een stukje vlees in? Er is er één met een naamlabeltje: François. Waren ze dan voor kinderen? En uit welke tijd dan, want kinderen eten toch bijna altijd warm op school? En waarom, als ze zo algemeen gebruikt zijn geweest, kun je er in vijftien jaar vijftien vinden én is er nauwelijks informatie over?


Hoe dan ook, mijn verzameling staat sinds de jongste aankopen weer te pronken op de Normandische keukenkast. Daar stonden enkele ‘meest wanstaltige soepterrines’ ooit. Maar dat is weer een ander verhaal. 





dinsdag 21 augustus 2018

Gliraria





Op het platteland heb je te maken met allerlei kruipend, vliegend, sluipend en zwemmend gespuis. Veel mag blijven, maar soms moet je ook tot harde maatregelen overgaan. In ons geval betreft dat de diersoorten wespen en hoornaars wegens allergie voor de steek van deze verder nuttige ‘dames’ (maar daar hebben we dit jaar helemaal geen last van) en muizen. Tenminste, de muizen die bij ons in huis wonen en ons ’s nachts wakker maken met hun uitbundig lawaaiige, in sneltreinvaart uitgevoerde charges op de zoldervloer. Ze komen ook wel buiten, bijna al onze gasten hebben ze over het hek zien rennen en ze broodkruimels gevoerd in het vogelhuisje. De kleine loedertjes zijn er ook een keer in geslaagd in het voorjaar in de afgesloten privékast te komen en hebben daar ALLES wat er stond aangeknaagd en volgepiest en - gepoept. Een hele dag had ik nodig om alles op te ruimen en toen stonk het nog. Sindsdien gaat alles in plastic containers. En misschien (ik hoop het) waren dat andere muizen. 
Maar goed, de muizen die op zolder wonen zijn adorable om te zien. Als je boven komt met een mand wasgoed gaan ze er eens goed voor zitten op een balk, hun glanzende kraaloogjes alert op je gericht. Kom je te dichtbij, dan zijn ze in een picoseconde drie meter verder, maar blijven evengoed belangstellend toekijken, hun stereotype lange staart met aan het eind daarvan een pluim om zich heen gevouwen. Een paar jaar geleden troffen we in oktober nesten aan, gebouwd van steenwol en hooi en om het maar eerlijk te zeggen, van mijn favoriete vest dat vergeten een paar maanden over de waslijn gehangen had. Weg ermee, met die nesten. Pas toen gingen we op internet zoeken waar we nu eigenlijk mee te maken hadden en bleken het  loirs, relmuizen, te zijn, behorend bij de slaapmuizenfamilie die van oktober tot april in winterslaap gaat en daarom ook wel zevenslaper genoemd wordt. We hadden die beesten dus op wrede wijze hun slaapkamers ontnomen. Voor we weer vertrokken legden we nieuwe stukken hooi en steenwol klaar, maar ze zijn die winter zeker elders gaan slapen, want in het voorjaar lag alles er nog onaangeroerd bij.

Deze zomer hebben we ze al vaak gehoord. We vragen ons wel af wat ze, behalve feestvieren, op zolder te zoeken hebben, want er is niks te eten. Maar we hebben een vreemde stroomstoring en het zou zomaar kunnen dat zo’n relmuis zijn tandjes in een kabel gezet heeft. Je hebt toch ook boommarters die hele automotoren onklaar weten te maken? En onze winterkleding hangt er, onbeschermd aan een rek. Andere kwetsbare kledingstukken en beddengoed ligt allemaal opgeborgen in van die containers waar je tuinstoelkussens in opslaat.


We staan een tijdje te kijken bij de muizen- en rattenvallen in de Bricomarché. Er is een ruim aanbod aan moordlustig materiaal. Ik zie zo’n zevenslaper al half doormidden gekliefd, overal darmpjes, bekje open in een laatste vertwijfelde piep, tongetje eruit, die uitpuilende, bruine oogjes. Ik ben nu eenmaal een beelddenker. Voor die teergevoelige zielen heeft de commercie natuurlijk ook een optie: een kooitje met een klapdeurtje. Stukje camembert aan een touwtje erin, klapdeurtje op scherp, muis denkt ‘Ha, kaas’, loopt naar binnen, neemt een hapje, nog één en KLATS, deurtje dicht. En ja, als je hem dan buiten hebt vrijgelaten is hij alweer eerder thuis dan jij.

En zo hoorden we het vanmorgen ook letterlijk gebeuren, tegen 7 uur pas. Hoofd Operatie Relmuis kwam triomfantelijk met het kooitje naar beneden. Een tijdje hebben we de geschrokken jongeling (het was geen baby, maar ook nog geen volwassen relmuis) bekeken. Van schrik deed hij een heleboel poepjes. Op weg naar de markt hebben we hem op een kilometer van het huis in het struikgewas losgelaten. Nu bleef hij echt niet even gezellig naar ons zitten kijken, hij wist wel beter. 

Het is natuurlijk geweldig inconsequent. Onze beide Smouzen gaan bijna dagelijks op jacht en komen met een bek vol muis binnen. We prijzen ze daarvoor. We hebben ook overwogen de dames een nachtje op de zolder te laten doorbrengen. Of een kat bij B(r)oer te lenen. Maar het is bij overwegingen gebleven. Ze mogen zelfs niet eens de trap op.

Op Wikipedia lees ik dit: De relmuis gold bij de Oude Romeinen als een lekkernij. De dieren werden gehouden en vetgemest in potten, gliraria genaamd. Als de dieren vet genoeg waren, werden ze gelakt met honing of gevuld met varkensvlees, gebraden en opgegeten. Tot vandaag worden relmuizen gegeten in Slovenië en Kroatië.

Tja. Dat is ook nog een optie, van de nood een deugd maken. Maar ook niet helemaal mijn ding, in dit geval. Ik ga ‘m straks weer neerzetten, de val, nu met een stukje Comté erin. En dan laat ik dat kleine lastpakje los bij de andere en dan zoeken ze het maar lekker samen uit, daar in de wildernis, waar ze tenslotte echt thuis horen.





maandag 13 augustus 2018

De cirkel van het leven





Uit een ooghoek zag ik iets langs het raam vallen en toen ik opstond en naar buiten keek, wriemelde er even iets in het gebladerte van de hortensia’s. Toen was het stil. Ik ging kijken wat het was en ja hoor: dode merelvrouw nummer drie. De eerste vond ik in de border, de tweede was me weken geleden rakelings gepasseerd toen ik in de tuin aan het werk was. Ze plofte levenloos uit de lucht naast me neer. Ook die leek, net als deze jonge dame,  in volle vlucht getroffen te zijn door een acute hartstilstand. De oogjes nog helder, het snaveltje dicht, het lijfje  warm in mijn handen (ik had al rubberen handschoenen aangetrokken) maar toch echt dood. Een slachtoffer van de merelziekte, die kennelijk flink huishoudt onder deze vogelsoort. En wat doe je dan met zo’n lijkje?

Als B(r)oer onderweg een verkeersslachtoffer tegenkomt stopt hij als het kan om het beest van de weg in de berm te trekken. ‘Dan zeg ik even een paar woordjes. Gewoon, zodat hij veilig in de hemel komt.’ Nee, mijn broertje is geen alledaagse persoonlijkheid. Hij kan ook zeer ontroerd raken van een piepklein vliegje dat over zijn arm loopt. ‘Dat heeft dan toch maar een hartje en een stofwisseling en oogjes, dat is toch geweldig!’ Hij is het type dat een slak op een andere plek in de tuin zet in plaats van er korte metten mee te maken. Hij heeft een tot aan de hoogste rechterlijke macht verbeten strijd gevoerd tegen het systematisch uitroeien van runderhorzels. Franse veeboeren werden daartoe verplicht, jaren geleden. Hij heeft zijn zaak verloren. Maar hij kreeg geen straf.  Zijn argument, dat er voor ieder dier een plek in de cirkel van het leven is viel uiteindelijk in goede aarde. Maar wel alleen op zijn bedrijf. En veel last van runderhorzels had hij niet, want alle omringende veeboeren spoten natuurlijk wel en roeiden zo een hele diersoort uit.  

Die cirkel is natuurlijk al lang niet meer rond, maar toch. Ik bedoel, wij hebben onlangs ook een paar wespennesten laten verdelgen (“98% talkpoeder, mevrouw”) en we hebben twee batterij gestuurde vliegenmeppers in huis om lastige beestjes te verkolen. En er hoeft maar één mug in de slaapkamer te zijn of al het licht gaat aan en de jacht wordt in gezet. Met alle mogelijke middelen.

Intussen stond ik nog steeds met die merel in mijn handen. Een kuil in de kneppelharde Normandische kleigrond graven was geen optie. Het beest ergens tussen de struiken gooien evenmin: onze jachthonden weten zo’n prooi feilloos te vinden. Bovendien, het was een aangetast dier, ik vond dat zij uit de cirkel moest.

Ik heb haar in het ‘overig afval’ gedaan. In de biologisch afbreekbare vuilniszak die zelf eerder verteert dan dat de vuilniswagen langskomt, dus die zak heb ik nog maar even weer in een andere plastic zak overgedaan. Morgen gaat ze bij de weg. Wat er hierna met haar gebeurt hoef ik niet te weten. Maar ik heb wel even zacht ‘goede reis, lieve merel’ tegen haar gefluisterd, voordat ik de zak dichtbond. En dat heb ik dan toch maar weer opgestoken, van die broer van me!

dinsdag 7 augustus 2018

Marktdag in augustus






Het is vandaag vast de warmste marktdag ooit. Nu zijn we nog nooit in augustus in La Noblet geweest, dus dat kan gauw. En er is nog iets heel opvallends: het is Zuid-Europees druk op de markt. Waar komen ál die mensen vandaan? Natuurlijk zijn er vast ook toeristen, want de markt van L’Aigle is een van de grootste van Frankrijk. Zeker vandaag, nu iedere plek tot de laatste vierkante meter bezet is. We hebben gelukkig wel vrij snel een plekje voor de auto gevonden, want de eerste bezoekers zijn rond half tien alweer op weg naar huis. Voor ons loopt een stel waarvan de vrouw het zwaar heeft met de hitte. Ze schommelt heen en weer, haar beide bh bandjes zijn van haar schouders gerold, haar jurk kruipt op om zich tussen huidplooien te nestelen. Soms trekt ze hem naar beneden. Haar man draagt wat onze dochter een ‘wife beater’ noemt, een strak hemd zodat je zijn gebronsde schouders met diverse tattoos goed kunt zien. Overigens denk ik niet dat hij zijn vrouw slaat hoor, hij pakt zo nu en dan haar hand even vast als ze dreigt te kapseizen.

Is een markttempo normaal al niet snel, nu gaat het helemaal langzaam. Elkaar zorgvuldig niet aanrakend schuifelt men in dichte drommen langs de kramen. Ook daar doet zich een fenomeen voor: er hangt de meest vreselijke kleding van dunne kunststof afgebiesd met enorme kanten randen of gekleurde kwastjes langs de halslijn. Ik sta enige tijd te kijken of er ook iemand is die dat koopt, maar ik zie weinig handel. Als ik zie dat de marktkoopman aanstalten maakt mij aan te schieten loop ik door. We halen onze biologische groenten zoals altijd bij Marianne, ze heeft zelfs nu een hulp. Er ontstaat onenigheid in de rij omdat iemand alle zeven courgettes die er nog zijn alvast in haar tas gedaan heeft en de mevrouw voor mij die aan de beurt is ook courgettes wil. Marianne bemiddelt op haar vriendelijke, bescheiden wijze en de dame achter mij haalt schoorvoetend twee courgettes uit haar tas. Eigenlijk had ik er ook één gewild maar ik laat het maar zitten. Maar dat er om biologisch voedsel gestreden wordt doet me wel deugd!

We besluiten de visboer en de slager vandaag over te slaan, het zijn de hondsdagen, dingen bederven snel en zeker bij 32 graden. We gaan eerst maar eens koffiedrinken. In O'Chateau ontmoeten we Raoul met een andere vrouw dan de laatste keren dat we hem zagen. Het is direct duidelijk dat dit een nieuwe vlam is, wat ik eigenlijk een beetje jammer vind want ik was net gewend aan de vorige. En je kon erg met haar lachen! Waarom is ze nu weer ingeruild? Deze lijkt vriendelijk genoeg, is weinig jonger dan Raoul maar heeft wel een vreselijk tuttig hondje op haar arm dat bijna in me bijt als ik haar onhandig de twee begroetingskussen op de wangen druk. Ik ben benieuwd hoe lang het nu weer met deze gaat duren. Later hoor ik van B(r)oer dat Agathe al eerder in beeld was maar is vertrokken omdat ze steeds overhoop lag met de hond van Raoul. Die tolereerde geen andere vrouwen in Raouls bed. Kennelijk is het ijs nu dankzij dat kleine mormel van haar gebroken.

Na de koffie sjokken we weer richting auto. Ik kijk nog even op de bloemenmarkt omdat ik graag wat bloeiends wil kopen om de planten die het in de droogte niet gered hebben te vervangen, maar er is weinig aanbod meer en voor chrysanten is het nog veel te veel zomer. Grote walmen komen ons tegemoet van een kraam waar worsten en patat gebakken worden. Het idee. Voor ons uit loopt het stel weer dat tegelijk met ons naar de markt ging. Grappig hoe zoiets vaak gebeurt: kennelijk hebben mensen evenveel tijd nodig om, zoals in dit geval, een rondje markt te doen. Hij draagt de tassen, zij wordt ontzien. Ze draagt nu een katoenen hoedje, dat had ze op de heenweg nog niet op. Onderweg naar huis betrekt de lucht. Er vallen wat regendruppels. Morgen zal het zomaar zeker 12 graden koeler zijn. Ik kan me er niets bij voorstellen.

maandag 30 juli 2018

Om een boodschap





‘Een paar moertjes, 10 mm, kleine verpakking.’ Ik lees de Whatsapp net als ik in de auto zit om weer huiswaarts te gaan na de boodschappen. Op zich houd ik erg van een bezoekje aan de Nuttige Dingenwinkel Emeraude, waar ik op dit moment het dichtste bij ben, maar tegelijkertijd had ik dit bericht liever niet gelezen. Want ik vrees dit soort opdrachten. En ik krijg gelijk.

Ik sta voor het meterslange boutjes- en moertjes rek. Gegalvaniseerd? Zink? Kunststof? Zwart?  Die 10 mm, is dat de buitenmaat of die van het gat? Wat is een kleine verpakking? Ik zie ze van 500, van 50, maar je kunt ze ook per stuk kopen. En wat bedoelt hij dan met ‘een paar?’ Toch geen twee? Ik bel. Er wordt, ik had eigenlijk al niet anders verwacht, niet opgenomen. Mijn Hoofd Werkplaats is altijd mobieler dan zijn telefoon. Zal ik dan maar de gok wagen en een paar verschillende meenemen? Ik bedoel, ruim 20 km rijd je ook niet even um sonst heen en weer. En aan de andere kant……hoe vaak ben ik al niet weggestuurd met vage aanwijzingen en ‘dat vind je zo’? Koperen buis: 10, 12, 15 mm? Hoe lang? Wandcontactdozen: opbouw, inbouw, geaard? Elektriciteitsmateriaal in het algemeen: verdeeldozen met aansluitingen bovenin? Zijkant? Boven- of onder in de zijkant? En dat was dan in de tijd dat onderling mobiel bellen in het buitenland een godsvermogen kostte dus dan ging je smssen. En vervolgens wachten op het antwoord. Buiten op de stoep, want meestal had je binnen niet eens bereik. Stond je daar vreemd aangekeken te worden bij de uitgang van zo’n Nuttige Dingenwinkel.  Wij waren indertijd gezegend met zeker vijf Brico’s en Gédimats binnen een straal van 25 km, wat inhoudt: niet veel dichterbij.

Ik heb wel eens gespijbeld. Ging ik op een terrasje zitten en de krant lezen en doen alsof ik een gewone toerist was, niet een boodschapper op een schier onuitvoerbare queeste.

Eén ding wil ik je als mogelijk potentiële huiseigenaar in Frankrijk meegeven: haal je materiaal bij één en dezelfde zaak. Want als je het verkeerde meebrengt, of te veel, heb je soms geen idee meer waar je de spullen vandaan gehaald hebt.  Zo liggen er hier op zolder nog wel wat overtollige kabelgoten, VD draad en vooral veel verkeerde zakken gips. Dit allemaal overpeinsd hebbende verlaat ik de winkel zonder iets gekocht te hebben. Wat een unicum mag heten.  

Eenmaal thuis vraagt hij of ik die moeren nog meegenomen heb. ‘Gut, dat las ik net toen ik al bijna weer thuis was.’
‘O, gelukkig,’ zegtie. ‘B(r)oer had er nog honderden. Ik heb er een paar van hem meegenomen.’ Hij opent zijn hand en daar liggen ze. Gegalvaniseerd, gat 10 mm. Geen paar, acht. 






zondag 22 juli 2018

Meeleven






Omdat alleen daar Wifi is zit ik op het terras van de camping achter mijn laptop. Er is altijd wel iets dat ik niet kan laten wachten – voor mijn eigen gemoedsrust. Het terras is leeg maar aan de tafel naast mij schuift een meneer aan nadat hij zijn bestelling heeft doorgegeven in vlekkeloos Frans. Ik schat hem tweede helft zestig.  Ik ben aan mijn laptop gekluisterd en lichtelijk verrast als de meneer zijn klingelende telefoon ter hand neemt en er in het Nederlands tegen begint te praten.

Eerst komt er een kleindochter aan het woord. Het contact verloopt wat moeizaam want ze praten steeds precies tegelijkertijd. Het gaat over afzwemmen en hoe het op school was.

‘Gaat het allemaal?’ Dochter heeft een snik in haar stem.’ We zorgen goed voor de bloemen hoor, gisteren heb ik er nog een vers boeket op gelegd. Er zijn nog zoveel bloemen!’ Pa reageert omzichtig dankbaar, gaat niet in op de tranen. Natuurlijk is het direct duidelijk waar het hier over gaat. Meneer is alleen en voor het eerst zonder mama op vakantie met de caravan. ‘Ik heb gevraagd of ik morgen een andere plek mag, die ik nu heb is teveel in de schaduw, een beetje somber.’ En:

‘Tja, het is wel raar hoor. Overal waar ik kom ben ik met haar geweest. Ik moet het steeds vertellen. Iedereen is geschokt. Vorig jaar was ze er nog bij! Maar verder gaat het z’n gangetje hoor. Ik geef ’s avonds mijn gegevens door, net als altijd.’ Ik tik driftig een antwoord op een email en denk dat het vast een campingcontroleur is, deze meneer. Van de ANWB of de ACSI. Leuk baantje, je bent het hele seizoen op vakantie! Er wordt ingezoomd op schoonzoon, die ook wat roept. Er komt nog een ander kleinkind aan het woord. En opeens vind ik het heel vervelend, zo ongevraagd opgenomen te worden in het leven van een volstrekt vreemde. Waarom gaat die man zo dicht naast me zitten? Het héle terras is leeg! Waarom loopt hij niet een eindje weg? Nu móet ik er straks wel iets van zeggen, als het gesprek is afgelopen. Het is toch raar als ik dat niet doe – hij weet nl inmiddels dat ik ook Nederlandse ben want manlief is aangeschoven met een biertje voor hem en een rosé voor mij.

Natuurlijk raken we met elkaar in gesprek nadat hij zijn Facetime sessie beëindigd heeft. Natuurlijk voelen we mee met zijn verlies. Natuurlijk blijkt hij campingcontroleur te zijn ('Ik kom altijd onaangekondigd'). Maar ik blijf het niet natuurlijk vinden dat mensen hun hele hebben en houden op een Frans terras ten gehore brengen. Alsjeblieft. Laat dat.


zaterdag 23 juni 2018

Buren op bezoek



Tijdens de maaltijd bij B(r)oer en schoonzus schoot het hem te binnen dat zij iets moesten organiseren in verband met burendag. Ik begreep dat de ‘dag’ werd gelaten voor wat hij was maar dat er natuurlijk wel gegeten en gedronken moest worden. We stelden voor het dan bij ons te houden, maar of B(r)oer dan wel wat eerder kon komen want we waren er niet helemaal zeker van of we het wel goed zouden doen…Hij lachte dat we ons daar absoluut geen zorgen over hoefden te maken, het kwam vanzelf goed.  Hij belde de buren met de opdracht een plat en een bouteille mee te brengen en te vertellen dat het feest bij ons zou zijn. Iedereen zegde toe te komen, op één na die het in het midden liet. Die ligt niet helemaal zo lekker in de buurt, had ik al begrepen. Hij legt dode mollen die hij vangt onder B(r)oers brievenbus, want die komen van diens biologisch beheerde land naar het zijne toe gegraven. En er was ook een akkefietje met een hond van B(r)oer en een paar kippen. Maar goed, we hebben dus over een lengte van zo’n drie kilometer in totaal tien buren (kinderen niet meegerekend). Ook de burgemeester en zijn vrouw behoren daartoe, evenals de stokoude ouders van de burgemeestersvrouw. En dan hebben we Jeanine & Robert, die wonen wel aan onze straat maar in een ander departement: de grens tussen de Eure en de Orne slingert zich op merkwaardige wijze door het land. Dit heeft o.a. als gevolg dat hun vuilnis door een andere vuilnisauto wordt opgehaald dan bij de rest. Hilarisch en niét te veranderen. De burgemeester heeft er zelfs werk van gemaakt, maar ja, officieel wonen zij dus niet in Verneusses….

We waren de hele dag wel zo’n beetje bezig, alles opruimen, snoeien, een stuk langs onze oprit bosmaaien anders was er geen plek voor de auto’s. Ik haalde nog bubbels en de bijbehorende glazen. Tenslotte zetten we borden, glazen en bestek klaar. Het weer zat mee.

Het feest zou om 20.00 uur beginnen. Om 20.20 meldde zich de eerste gast, B(r)oers nieuwe medewerker. Hij had een tray witbier en wat zakken zoutjes voor het apéro mee. Hierna kwamen Jeanine & Robert, zij hadden een salade, een enorme schaal met (naar later zou blijken weergaloos heerlijke) aardbeien, stukken eendenborst, wijn, whisky en sap en nog andere biologische versnaperingen. We werden er stil van, maar toen kwam de burgemeester met aanhang en daar kwamen hele kratten uit de auto met nog veel meer eten en vooral ook drank. De burgemeester had zijn aanvankelijke wat afwachtende houding* geheel laten varen en stormde mij met open armen tegemoet.  De rest van de gasten arriveerde ook met nog meer lekkers en schoonzus had een dessert mee, riz au lait.

Wij hadden de tafels en de stoelen in een Hollands rondje neergezet en eerst stond iedereen boven op elkaar te proosten maar omdat er oude mensen bij waren duurde het niet lang of men ging zitten. Eigenlijk hoefden wij weinig te doen: de drank werd geregeld door de burgemeester, die de glazen vol schonk met pommeau, het van calvados afgeleide aperitief. We namen allemaal een slokje en ik dacht nog, jémig, pittige pommeau toen bleek dat er calvados in de glazen zat. Niet zo verwonderlijk, want op de flessen zat geen etiket. Alle glazen werden weer ingenomen en terug in de fles gegoten en nu kregen we pommeau. Er wordt in Normandië grootscheeps zelf calvados gestookt maar de burgemeestersvrouw zei dat hij dat niet zelf deed, maar een goede vriend. Inmiddels werd er flink gegeten van de versnaperingen en D. ontstak de barbecue. Ik had 36 chipolata’s (kleine worstjes) ingekocht, maar de eendenborst kwam eerst op het vuur. Robert sneed het vlees in plakjes, de schalen met salades stonden opeens op tafel, iedereen had een bord en bestek en zat te eten. Het was allemaal uiterst genoeglijk. De enige die verstek liet gaan was de mollenman. Misschien ook maar beter.

Bij het toetje van Riz au lait met aardbeien openden wij de flessen Clairette de Die en toen dat allemaal op was moest de maaltijd uiteraard beëindigd worden met de vijftien jaar oude calvados. De rest werd ons plechtig overhandigd door de burgemeester. Iedereen pakte zijn spullen weer in, binnen tien minuten stond de hele afwas in de keuken en waren we na een hartelijk afscheid en vele ‘kom eens op de koffie’ uitnodigingen weer met z’n tweeën. Het was een geweldige avond en we hadden vanmorgen niet eens een kater! Dat kwam omdat de calvados van excellente kwaliteit was, zei schoonzus toen ik haar sprak. Dat zal het zijn geweest!

dinsdag 19 juni 2018

Impasse





Na drie weken keren we terug op La Noblet. Eerst twee weken vakantie, toen een weekje Loo. Een druk weekje, veel leuke afspraken, op kleinkinders passen (het stralende snoetje van kleindochter als ze je tussen de vaders en moeders en ook best veel opa’s en oma’s op het schoolplein vindt) en een weergaloos goede voorstelling van de leraren van het Spinoza Lyceum in de musical met een fraaie hoofdrol van Oudste Dochter.  Een staartje Loofeest, hét dorpsfeest. Leuk om iedereen weer te zien en te spreken. Tussen de bedrijven door toch maar flink wat snoei- en ander tuinwerk verricht. Iedereen hanteert zo zijn eigen maatstaven in dezen en al is er best wat werk verzet, wij zien dan natuurlijk toch zaken die ook aandacht verdienen. Meidoornhaag, leilindes, taxus…. Er is meer van dan wij nodig vinden. Parkeerterrein, inrit….we hebben besloten geen enkele vorm van onkruidbestrijding meer te gebruiken behalve mechanische en dat houdt dan natuurlijk domweg extra fysiek werk in. En je lat anders leggen. Gras in het grind is mooi. En je kunt het ook kort maaien.

Er moet toch enig tegenwicht geboden worden aan de kaalslag die het maisperceel aan het eind van onze straat veroorzaakt. Letterlijk tot op het plaveisel staat de mais, de voormalige rand gras en wilde bloemen is voor het gemak ook maar even weg gespoten, net als die aan de andere kant van de weg. Tussen de mais groeit geen enkel ongewenst kruid. In de mais zoemt geen enkel insect. Het is te verdrietig voor woorden.

Het heeft iets van een dodenakker, dit volkomen gemanipuleerde gewas waarmee onze koeien straks weer gevoerd worden en wier melkproducten wij dan weer opdrinken en -eten. Omdat we de voorgeschiedenis niet weten.  Een doodlopende weg, die straat van ons. Letterlijk. Maar kan er aan het eind daarvan niet omgedraaid worden? En dan op een andere manier?

Terug in Normandië worden wij verrast door nieuwe borden die de voorheen naamloze wegen een naam geven. Ik had op andere plaatsen in de commune al gezien dat ze daarmee bezig waren: ‘Grande Rue’, ‘Rue de dolmen’ en gehoopt dat ons straatje het fraaie woord ‘Impasse’ zou mogen dragen. Want ook hier wonen wij aan een doodlopend weggetje, maar dan niet aan het begin maar  aan het eind. Ons weggetje wordt omzoomd door grassen en kruid en bramen. Hier wordt niks weggespoten maar mag alles blijven staan omdat het in het geheel der dingen een rol speelt. Vinden wij dat er teveel van iets is, dan ruimen we het handmatig op. In dit systeem laat ook niets zich dwingen. Het ene jaar staan de weilanden vol distels, het jaar daarop zijn ze op wonderlijke wijze verdwenen. Dat geldt ook voor mijn favoriete wilde voorjaarsplant, de blauwe morgenster. Ze laat haar lila bloemen alleen in de ochtend zien, na het middaguur sluit ze zich. De plant komt op waar ze er zelf zin in heeft: vorig jaar stond er een hele struik onder het raam van de salon, nu stond de plant alleen buiten het hek in de wei. Ook de keurig in de border geplante margrieten laten hun vrolijke gezichtjes aan de andere kant van het hek zien. Het is in onze tuin altijd weer een verrassing wat we dit jaar weer te zien zullen krijgen.

Ons weggetje draagt inderdaad de naam ‘impasse.’ Een woord als een dans. We zitten zeker niet in een impasse, voor ons betekent het woord iets totaal anders: een moment van stilstand, contemplatie en vervolgens verandering, een positieve draai. Mijn ingezaaide stukje wilde bloemen is in drie weken tijd flink uitgegroeid en gaat de komende weken nog meer moois opleveren. De frambozen en bramen zien eruit alsof ze flink vrucht gaan dragen. Achter de remise staan twee bijenkasten van een lokale imker. In de border en de ons omringende weilanden en akkers gonst het van leven. 
Ook in Frankrijk zijn maisakkers en doodgespoten bermen.  Maar gelukkig heeft de natuur hier meer ruimte en een hoop veerkracht en vertoont zich in alle kleuren. We zijn maar een speldenprik, maar alle beetjes helpen. En het is zoveel mooier en uiteindelijk ook beter, voor ons allemaal en vooral voor de generaties die na ons komen.







zondag 3 juni 2018

Kamperen I


We verblijven op een camping in het zuiden van Frankrijk. We treffen het: in heel Europa boven de Seine is het prachtig weer, wij hebben zeker eerder deze week mogen ervaren dat onze tent écht waterdicht is. Ook als het met bakken…etc.  We hebben de tent vorig jaar gekocht, Man wil niet aan een (eigenlijk ‘de’, want we hebben er één) caravan sleuren en bovendien kun je zonder aanhanger sneller in het zuiden zijn, daar waar het altijd mooi weer is. Vorig jaar testten we onze tent in september in hetzelfde gebied, de Gard, en maakten we een paar pittig koude nachten mee. Nu is ons slaapgenot aanmerkelijk verbeterd met luchtbedden mét een dekmatras erop. De nachten zijn ook iets minder koud. Maar goed. Het blijft kamperen. En regenen.  Dus soms moet ik mezelf er even aan herinneren waarom ik het ook weer zo leuk vind.

 We staan dan wel een beetje in een hoekje maar ik moet toch zeker twee keer per dag met de honden de camping over en dan is er genoeg te zien. Natuurlijk zijn er de stellen zoals wij, maar zij hebben wel een caravan en zitten onder de luifel in de nieuwste campingstoelen naast elkaar, tafeltje ertussen. De een vult een puzzelboekje in en de ander leest. Soms gaan ze fietsen en ’s middags staat de rosé al vroeg op tafel, waardoor ze opeens veel enthousiaster ‘Hallo!’ roepen. Maar als het regent kunnen ze ook binnen aan tafel zitten.  En ’s avonds als ze gaan slapen is hun bed vast warm en hoeft niet eerst op te drogen door hun eigen lichaamswarmte. En ze hebben misschien ook wel een kacheltje.  Dan heb je de mensen die, een beetje zoals wij, niet echt met een caravan op pad willen en daarom een heel kleintje hebben. Een Eribaatje. We hebben wel eens in eentje rondgekeken, zo praktisch en efficiënt alles! En zo gezellig knus!  Stiekem vinden zij dat ook, want ze zijn voortdurend rond hun huisje aan het rondscharrelen. Er is altijd wel iets aan te draaien, los te schroeven, op te hangen en er weer af te halen, je bent zo lekker bezig op de camping. En dit is nog maar een kleine greep uit het helaas toch wat verschralende aanbod. Aan mensen in witte campers is niets te beleven. Die zie je namelijk nooit.

Op onze camping doet zich een merkwaardig fenomeen voor: wellicht omdat hij in een soort kloofje ligt kunnen we de gesprekken die op 50 meter van ons af gevoerd worden woordelijk verstaan. We houden er zelf rekening mee dat dat andersom misschien ook het geval is. Maar je steekt wel weer het een en ander op.

Tegenwoordig zie je ook nogal eens alleengaande kampeerders. Ik trof er gelijk de eerste dag al een op het WIFI terras, hij ging stijf naast me zitten Facetimen met een dochter waardoor ik ongewenst op de hoogte werd gebracht van het recente overlijden van zijn vrouw en dat dit de eerste keer dat hij weer..etc. Eerder die middag had ik hem stiekem uitgelachen omdat hij met zijn enorme sleurhut niet op het perceeltje paste dat hij uitgekozen had. Zijn dissel stak geheel door de heg naar het naastgelegen veldje. Nu vond ik hem nog zieliger, alleen is zo’n immense hut. Want eerlijk, vaak doen ze toch wat stakkerig aan, die eenzame kampeerders.

Behalve Benny, zullen we hem maar noemen. Toen we vanmiddag net tijdens een korte droge periode thuiskwamen stond hij schuin tegenover ons, de beide deurtjes van zijn oude Ford bestelauto open zodat je binnen het met twee planken in elkaar getimmerde eenpersoonsbed kon zien, zijn forse lijf in een dertig jaar oud kampeerstoeltje geperst, de blote benen recht vooruit op een klapkruk. Een beker koffie, dik boek op schoot en ter completering van dit volkomen benijdenswaardige beeld een grote transistorradio op het kampeertafeltje naast zich. Ik wist op slag weer waarom ik het toch blijf doen, kamperen. Alleen die regen. Die mag wel uit.  
PS wifi is hopeloos hier. Vandaar even geen foto.

vrijdag 18 mei 2018

Voetbal




Ze lagen en hingen er alweer, bij But, de duizenddingenwinkel. Voetbaldecoraties. Natuurlijk ben je als winkel met zo’n naam (but = doelpunt) wel bijna verplicht les Bleus met alles wat je in je hebt te steunen, maar zeg eens eerlijk: NU al? Het begint toch pas over een maand (ik weet het echt niet, omdat Nederland niet meedoet had ik het hele WK verdrongen)? Opeens ben ik blij dat ik de hele maand juli niet in Frankrijk ben en niet mee hoef om overal naar wedstrijden waaraan de Fransen deelnemen te kijken en dan natuurlijk steeds aan te moeten horen dat ‘Les Hollandais’ er dit jaar níet bij zijn. Nee, dat weten we, dat is al erg genoeg, dat hoef je er echt niet steeds in te wrijven.

We hebben al wat WK’s en EK’s meegemaakt in Frankrijk. Misschien nog wel meer dan in Nederland. We hebben op een plein in Limoux meegejuicht voor de Fransen, we hebben nagelbijtend in een bar op camping La Plage in Vézay gezeten (manlief verdwijnt dan doorgaans na enige tijd omdat hij de spanning niet aankan), helemaal alleen met z’n tweeën zaten we in St.Rome-de-Dolan op de crête en een keer met een stel medebeursgangers in Parijs in een kroeg, maar de meeste keren zaten we ergens bij Fransen thuis met een hele club. Eén keer verloren we bij B(r)oer van Spanje en dat terwijl we ons geheel in het oranje hadden uitgedost. Vreselijke herinneringen heb ik aan die avond.

Ook onvergetelijk was de keer dat we ergens loei verweg heen gereden waren en ik alleen met de kinderen terug naar huis ging. In ieder dorp moest ik mij stapvoets door een uitzinnige menigte die schor ‘On a gagné’ brulde  heen worstelen,  onderwijl duim opstekend en instemmend meejuichen en hopen dat m’n dak het hield omdat fans er via de motorkap op klommen. De meiden doodsbenauwd op de achterbank, ik koortsachtig routes bedenkend die níet door dorpen voerden.

Verder ben ik erg slecht in het onthouden van dit soort wedstrijden, dus vergeef me als ik het helemaal fout heb maar volgens mij stond Frankrijk vier jaar geleden in de finale. We hadden bezoek uit Nederland en waren allemaal uitgenodigd bij Guy en zijn vrouw. Er stond een enorme breedbeeld tv in de kamer en er waren tientallen stoelen omheen gezet. Toen we kwamen was de wedstrijd al begonnen, maar het was mooi weer en nagenoeg iedereen zat buiten aan het apéro. Ik zette onze meegebrachte hartige taart bij de andere heerlijkheden en ging toch maar even naar de wedstrijd kijken. Die ontwikkelde zich niet helemaal naar wens. Toen de tweede helft begon kwam er meer belangstelling en langzaam werden alle stoelen bezet, wij hielden ons bescheiden op de achtergrond.

Maar aan het einde van de speeltijd was de wedstrijd onbeslist. Er kwam een verlenging. Tegen die tijd zaten wij  nagelbijtend voor de tv. Alsjeblieft geen strafschoppen. Vanuit de keuken werd iets geroepen en opeens kwam de rest van het publiek in beweging. Voordat we goed en wel begrepen wat er gebeurde waren alle stoelen leeg en stond iedereen in de keuken. Daar werd het toetje uitgeserveerd, een plastic glaasje gevuld met frambozen- en blauwe bessencompôte met een paar druppeltjes likeur, afgetopt met een licht gezoete crème fraiche. De commentaren logen er niet om: ’Délicieux. Heerlijk. Zo lekker.’ Ondertussen scoorde Éder in de 109de minuut het winnende doelpunt voor Portugal en waren wij, Nederlanders, daar als enige getuige van. Verbijsterd keken we elkaar aan.

Tant pis,’ zei men, het plastic glaasje leeg likkend.  En schonk nog een digestif in. En nu ik dit allemaal opschrijf weet ik ook zeker dat ik dat toch een beetje ga missen, in juli. Want natuurlijk hoop ik toch dat Frankrijk het ver schopt, dit jaar. Misschien dat ik dan bij gelegenheid zo’n lekker toetje maak. Om het te vieren. Of als troost.