maandag 13 augustus 2018

De cirkel van het leven





Uit een ooghoek zag ik iets langs het raam vallen en toen ik opstond en naar buiten keek, wriemelde er even iets in het gebladerte van de hortensia’s. Toen was het stil. Ik ging kijken wat het was en ja hoor: dode merelvrouw nummer drie. De eerste vond ik in de border, de tweede was me weken geleden rakelings gepasseerd toen ik in de tuin aan het werk was. Ze plofte levenloos uit de lucht naast me neer. Ook die leek, net als deze jonge dame,  in volle vlucht getroffen te zijn door een acute hartstilstand. De oogjes nog helder, het snaveltje dicht, het lijfje nog warm in mijn handen (ik had al rubberen handschoenen aangetrokken) maar toch echt dood. Een slachtoffer van de merelziekte, die kennelijk flink huishoudt onder deze vogelsoort. En wat doe je dan met zo’n slachtoffertje?

Als B(r)oer onderweg een verkeersslachtoffer tegenkomt stopt hij als het kan om het beest van de weg in de berm te trekken. ‘Dan zeg ik even een paar woordjes. Gewoon, zodat hij veilig in de hemel komt.’ Nee, mijn broertje is geen alledaagse persoonlijkheid. Hij kan ook zeer ontroerd raken van een piepklein vliegje dat over zijn arm loopt. ‘Dat heeft dan toch maar een hartje en een stofwisseling en oogjes, dat is toch geweldig!’ Hij is het type dat een slak op een andere plek in de tuin zet in plaats van er korte metten mee te maken. Hij heeft een tot aan de hoogste rechterlijke macht verbeten strijd gevoerd tegen het systematisch uitroeien van runderhorzels. Franse veeboeren werden daartoe verplicht, jaren geleden. Hij heeft zijn zaak verloren. Maar hij kreeg geen straf.  Zijn argument, dat er voor ieder dier een plek in de cirkel van het leven is viel uiteindelijk in goede aarde. Maar wel alleen op zijn bedrijf. En veel last van runderhorzels had hij niet, want alle omringende veeboeren spoten natuurlijk wel en roeiden zo een hele diersoort uit.  

Die cirkel is natuurlijk al lang niet meer rond, maar toch. Ik bedoel, wij hebben onlangs ook een paar wespennesten laten verdelgen (“98% talkpoeder, mevrouw”) en we hebben twee batterij gestuurde vliegenmeppers in huis om lastige beestjes te verkolen. En er hoeft maar één mug in de slaapkamer te zijn of al het licht gaat aan en de jacht wordt in gezet. Met alle mogelijke middelen.

Intussen stond ik nog steeds met die merel in mijn handen. Een kuil in de kneppelharde Normandische kleigrond graven was geen optie. Het beest ergens tussen de struiken gooien evenmin: onze jachthonden weten zo’n prooi feilloos te vinden. Bovendien, het was een aangetast dier, ik vond dat zij uit de cirkel moest.

Ik heb haar in het ‘overig afval’ gedaan. In de biologisch afbreekbare vuilniszak die zelf eerder verteert dan dat de vuilniswagen langskomt, dus die zak heb ik nog maar even weer in een andere plastic zak overgedaan. Morgen gaat ze bij de weg. Wat er hierna met haar gebeurt hoef ik niet te weten. Maar ik heb wel even zacht ‘goede reis, lieve merel’ tegen haar gefluisterd, voordat ik de zak dichtbond. En dat heb ik dan toch maar weer opgestoken, van die broer van me!

dinsdag 7 augustus 2018

Marktdag in augustus






Het is vandaag vast de warmste marktdag ooit. Nu zijn we nog nooit in augustus in La Noblet geweest, dus dat kan gauw. En er is nog iets heel opvallends: het is Zuid-Europees druk op de markt. Waar komen ál die mensen vandaan? Natuurlijk zijn er vast ook toeristen, want de markt van L’Aigle is een van de grootste van Frankrijk. Zeker vandaag, nu iedere plek tot de laatste vierkante meter bezet is. We hebben gelukkig wel vrij snel een plekje voor de auto gevonden, want de eerste bezoekers zijn rond half tien alweer op weg naar huis. Voor ons loopt een stel waarvan de vrouw het zwaar heeft met de hitte. Ze schommelt heen en weer, haar beide bh bandjes zijn van haar schouders gerold, haar jurk kruipt op om zich tussen huidplooien te nestelen. Soms trekt ze hem naar beneden. Haar man draagt wat onze dochter een ‘wife beater’ noemt, een strak hemd zodat je zijn gebronsde schouders met diverse tattoos goed kunt zien. Overigens denk ik niet dat hij zijn vrouw slaat hoor, hij pakt zo nu en dan haar hand even vast als ze dreigt te kapseizen.

Is een markttempo normaal al niet snel, nu gaat het helemaal langzaam. Elkaar zorgvuldig niet aanrakend schuifelt men in dichte drommen langs de kramen. Ook daar doet zich een fenomeen voor: er hangt de meest vreselijke kleding van dunne kunststof afgebiesd met enorme kanten randen of gekleurde kwastjes langs de halslijn. Ik sta enige tijd te kijken of er ook iemand is die dat koopt, maar ik zie weinig handel. Als ik zie dat de marktkoopman aanstalten maakt mij aan te schieten loop ik door. We halen onze biologische groenten zoals altijd bij Marianne, ze heeft zelfs nu een hulp. Er ontstaat onenigheid in de rij omdat iemand alle zeven courgettes die er nog zijn alvast in haar tas gedaan heeft en de mevrouw voor mij die aan de beurt is ook courgettes wil. Marianne bemiddelt op haar vriendelijke, bescheiden wijze en de dame achter mij haalt schoorvoetend twee courgettes uit haar tas. Eigenlijk had ik er ook één gewild maar ik laat het maar zitten. Maar dat er om biologisch voedsel gestreden wordt doet me wel deugd!

We besluiten de visboer en de slager vandaag over te slaan, het zijn de hondsdagen, dingen bederven snel en zeker bij 32 graden. We gaan eerst maar eens koffiedrinken. In O'Chateau ontmoeten we Raoul met een andere vrouw dan de laatste keren dat we hem zagen. Het is direct duidelijk dat dit een nieuwe vlam is, wat ik eigenlijk een beetje jammer vind want ik was net gewend aan de vorige. En je kon erg met haar lachen! Waarom is ze nu weer ingeruild? Deze lijkt vriendelijk genoeg, is weinig jonger dan Raoul maar heeft wel een vreselijk tuttig hondje op haar arm dat bijna in me bijt als ik haar onhandig de twee begroetingskussen op de wangen druk. Ik ben benieuwd hoe lang het nu weer met deze gaat duren. Later hoor ik van B(r)oer dat Agathe al eerder in beeld was maar is vertrokken omdat ze steeds overhoop lag met de hond van Raoul. Die tolereerde geen andere vrouwen in Raouls bed. Kennelijk is het ijs nu dankzij dat kleine mormel van haar gebroken.

Na de koffie sjokken we weer richting auto. Ik kijk nog even op de bloemenmarkt omdat ik graag wat bloeiends wil kopen om de planten die het in de droogte niet gered hebben te vervangen, maar er is weinig aanbod meer en voor chrysanten is het nog veel te veel zomer. Grote walmen komen ons tegemoet van een kraam waar worsten en patat gebakken worden. Het idee. Voor ons uit loopt het stel weer dat tegelijk met ons naar de markt ging. Grappig hoe zoiets vaak gebeurt: kennelijk hebben mensen evenveel tijd nodig om, zoals in dit geval, een rondje markt te doen. Hij draagt de tassen, zij wordt ontzien. Ze draagt nu een katoenen hoedje, dat had ze op de heenweg nog niet op. Onderweg naar huis betrekt de lucht. Er vallen wat regendruppels. Morgen zal het zomaar zeker 12 graden koeler zijn. Ik kan me er niets bij voorstellen.

maandag 30 juli 2018

Om een boodschap





‘Een paar moertjes, 10 mm, kleine verpakking.’ Ik lees de Whatsapp net als ik in de auto zit om weer huiswaarts te gaan na de boodschappen. Op zich houd ik erg van een bezoekje aan de Nuttige Dingenwinkel Emeraude, waar ik op dit moment het dichtste bij ben, maar tegelijkertijd had ik dit bericht liever niet gelezen. Want ik vrees dit soort opdrachten. En ik krijg gelijk.

Ik sta voor het meterslange boutjes- en moertjes rek. Gegalvaniseerd? Zink? Kunststof? Zwart?  Die 10 mm, is dat de buitenmaat of die van het gat? Wat is een kleine verpakking? Ik zie ze van 500, van 50, maar je kunt ze ook per stuk kopen. En wat bedoelt hij dan met ‘een paar?’ Toch geen twee? Ik bel. Er wordt, ik had eigenlijk al niet anders verwacht, niet opgenomen. Mijn Hoofd Werkplaats is altijd mobieler dan zijn telefoon. Zal ik dan maar de gok wagen en een paar verschillende meenemen? Ik bedoel, ruim 20 km rijd je ook niet even um sonst heen en weer. En aan de andere kant……hoe vaak ben ik al niet weggestuurd met vage aanwijzingen en ‘dat vind je zo’? Koperen buis: 10, 12, 15 mm? Hoe lang? Wandcontactdozen: opbouw, inbouw, geaard? Elektriciteitsmateriaal in het algemeen: verdeeldozen met aansluitingen bovenin? Zijkant? Boven- of onder in de zijkant? En dat was dan in de tijd dat onderling mobiel bellen in het buitenland een godsvermogen kostte dus dan ging je smssen. En vervolgens wachten op het antwoord. Buiten op de stoep, want meestal had je binnen niet eens bereik. Stond je daar vreemd aangekeken te worden bij de uitgang van zo’n Nuttige Dingenwinkel.  Wij waren indertijd gezegend met zeker vijf Brico’s en Gédimats binnen een straal van 25 km, wat inhoudt: niet veel dichterbij.

Ik heb wel eens gespijbeld. Ging ik op een terrasje zitten en de krant lezen en doen alsof ik een gewone toerist was, niet een boodschapper op een schier onuitvoerbare queeste.

Eén ding wil ik je als mogelijk potentiële huiseigenaar in Frankrijk meegeven: haal je materiaal bij één en dezelfde zaak. Want als je het verkeerde meebrengt, of te veel, heb je soms geen idee meer waar je de spullen vandaan gehaald hebt.  Zo liggen er hier op zolder nog wel wat overtollige kabelgoten, VD draad en vooral veel verkeerde zakken gips. Dit allemaal overpeinsd hebbende verlaat ik de winkel zonder iets gekocht te hebben. Wat een unicum mag heten.  

Eenmaal thuis vraagt hij of ik die moeren nog meegenomen heb. ‘Gut, dat las ik net toen ik al bijna weer thuis was.’
‘O, gelukkig,’ zegtie. ‘B(r)oer had er nog honderden. Ik heb er een paar van hem meegenomen.’ Hij opent zijn hand en daar liggen ze. Gegalvaniseerd, gat 10 mm. Geen paar, acht. 






zondag 22 juli 2018

Meeleven






Omdat alleen daar Wifi is zit ik op het terras van de camping achter mijn laptop. Er is altijd wel iets dat ik niet kan laten wachten – voor mijn eigen gemoedsrust. Het terras is leeg maar aan de tafel naast mij schuift een meneer aan nadat hij zijn bestelling heeft doorgegeven in vlekkeloos Frans. Ik schat hem tweede helft zestig.  Ik ben aan mijn laptop gekluisterd en lichtelijk verrast als de meneer zijn klingelende telefoon ter hand neemt en er in het Nederlands tegen begint te praten.

Eerst komt er een kleindochter aan het woord. Het contact verloopt wat moeizaam want ze praten steeds precies tegelijkertijd. Het gaat over afzwemmen en hoe het op school was.

‘Gaat het allemaal?’ Dochter heeft een snik in haar stem.’ We zorgen goed voor de bloemen hoor, gisteren heb ik er nog een vers boeket op gelegd. Er zijn nog zoveel bloemen!’ Pa reageert omzichtig dankbaar, gaat niet in op de tranen. Natuurlijk is het direct duidelijk waar het hier over gaat. Meneer is alleen en voor het eerst zonder mama op vakantie met de caravan. ‘Ik heb gevraagd of ik morgen een andere plek mag, die ik nu heb is teveel in de schaduw, een beetje somber.’ En:

‘Tja, het is wel raar hoor. Overal waar ik kom ben ik met haar geweest. Ik moet het steeds vertellen. Iedereen is geschokt. Vorig jaar was ze er nog bij! Maar verder gaat het z’n gangetje hoor. Ik geef ’s avonds mijn gegevens door, net als altijd.’ Ik tik driftig een antwoord op een email en denk dat het vast een campingcontroleur is, deze meneer. Van de ANWB of de ACSI. Leuk baantje, je bent het hele seizoen op vakantie! Er wordt ingezoomd op schoonzoon, die ook wat roept. Er komt nog een ander kleinkind aan het woord. En opeens vind ik het heel vervelend, zo ongevraagd opgenomen te worden in het leven van een volstrekt vreemde. Waarom gaat die man zo dicht naast me zitten? Het héle terras is leeg! Waarom loopt hij niet een eindje weg? Nu móet ik er straks wel iets van zeggen, als het gesprek is afgelopen. Het is toch raar als ik dat niet doe – hij weet nl inmiddels dat ik ook Nederlandse ben want manlief is aangeschoven met een biertje voor hem en een rosé voor mij.

Natuurlijk raken we met elkaar in gesprek nadat hij zijn Facetime sessie beëindigd heeft. Natuurlijk voelen we mee met zijn verlies. Natuurlijk blijkt hij campingcontroleur te zijn ('Ik kom altijd onaangekondigd'). Maar ik blijf het niet natuurlijk vinden dat mensen hun hele hebben en houden op een Frans terras ten gehore brengen. Alsjeblieft. Laat dat.


zaterdag 23 juni 2018

Buren op bezoek



Tijdens de maaltijd bij B(r)oer en schoonzus schoot het hem te binnen dat zij iets moesten organiseren in verband met burendag. Ik begreep dat de ‘dag’ werd gelaten voor wat hij was maar dat er natuurlijk wel gegeten en gedronken moest worden. We stelden voor het dan bij ons te houden, maar of B(r)oer dan wel wat eerder kon komen want we waren er niet helemaal zeker van of we het wel goed zouden doen…Hij lachte dat we ons daar absoluut geen zorgen over hoefden te maken, het kwam vanzelf goed.  Hij belde de buren met de opdracht een plat en een bouteille mee te brengen en te vertellen dat het feest bij ons zou zijn. Iedereen zegde toe te komen, op één na die het in het midden liet. Die ligt niet helemaal zo lekker in de buurt, had ik al begrepen. Hij legt dode mollen die hij vangt onder B(r)oers brievenbus, want die komen van diens biologisch beheerde land naar het zijne toe gegraven. En er was ook een akkefietje met een hond van B(r)oer en een paar kippen. Maar goed, we hebben dus over een lengte van zo’n drie kilometer in totaal tien buren (kinderen niet meegerekend). Ook de burgemeester en zijn vrouw behoren daartoe, evenals de stokoude ouders van de burgemeestersvrouw. En dan hebben we Jeanine & Robert, die wonen wel aan onze straat maar in een ander departement: de grens tussen de Eure en de Orne slingert zich op merkwaardige wijze door het land. Dit heeft o.a. als gevolg dat hun vuilnis door een andere vuilnisauto wordt opgehaald dan bij de rest. Hilarisch en niét te veranderen. De burgemeester heeft er zelfs werk van gemaakt, maar ja, officieel wonen zij dus niet in Verneusses….

We waren de hele dag wel zo’n beetje bezig, alles opruimen, snoeien, een stuk langs onze oprit bosmaaien anders was er geen plek voor de auto’s. Ik haalde nog bubbels en de bijbehorende glazen. Tenslotte zetten we borden, glazen en bestek klaar. Het weer zat mee.

Het feest zou om 20.00 uur beginnen. Om 20.20 meldde zich de eerste gast, B(r)oers nieuwe medewerker. Hij had een tray witbier en wat zakken zoutjes voor het apéro mee. Hierna kwamen Jeanine & Robert, zij hadden een salade, een enorme schaal met (naar later zou blijken weergaloos heerlijke) aardbeien, stukken eendenborst, wijn, whisky en sap en nog andere biologische versnaperingen. We werden er stil van, maar toen kwam de burgemeester met aanhang en daar kwamen hele kratten uit de auto met nog veel meer eten en vooral ook drank. De burgemeester had zijn aanvankelijke wat afwachtende houding* geheel laten varen en stormde mij met open armen tegemoet.  De rest van de gasten arriveerde ook met nog meer lekkers en schoonzus had een dessert mee, riz au lait.

Wij hadden de tafels en de stoelen in een Hollands rondje neergezet en eerst stond iedereen boven op elkaar te proosten maar omdat er oude mensen bij waren duurde het niet lang of men ging zitten. Eigenlijk hoefden wij weinig te doen: de drank werd geregeld door de burgemeester, die de glazen vol schonk met pommeau, het van calvados afgeleide aperitief. We namen allemaal een slokje en ik dacht nog, jémig, pittige pommeau toen bleek dat er calvados in de glazen zat. Niet zo verwonderlijk, want op de flessen zat geen etiket. Alle glazen werden weer ingenomen en terug in de fles gegoten en nu kregen we pommeau. Er wordt in Normandië grootscheeps zelf calvados gestookt maar de burgemeestersvrouw zei dat hij dat niet zelf deed, maar een goede vriend. Inmiddels werd er flink gegeten van de versnaperingen en D. ontstak de barbecue. Ik had 36 chipolata’s (kleine worstjes) ingekocht, maar de eendenborst kwam eerst op het vuur. Robert sneed het vlees in plakjes, de schalen met salades stonden opeens op tafel, iedereen had een bord en bestek en zat te eten. Het was allemaal uiterst genoeglijk. De enige die verstek liet gaan was de mollenman. Misschien ook maar beter.

Bij het toetje van Riz au lait met aardbeien openden wij de flessen Clairette de Die en toen dat allemaal op was moest de maaltijd uiteraard beëindigd worden met de vijftien jaar oude calvados. De rest werd ons plechtig overhandigd door de burgemeester. Iedereen pakte zijn spullen weer in, binnen tien minuten stond de hele afwas in de keuken en waren we na een hartelijk afscheid en vele ‘kom eens op de koffie’ uitnodigingen weer met z’n tweeën. Het was een geweldige avond en we hadden vanmorgen niet eens een kater! Dat kwam omdat de calvados van excellente kwaliteit was, zei schoonzus toen ik haar sprak. Dat zal het zijn geweest!

(namen zijn gewijzigd)
* zie deze blog:

https://eenjaarinnormandie.blogspot.com/2018/03/een-maand-later.html

dinsdag 19 juni 2018

Impasse





Na drie weken keren we terug op La Noblet. Eerst twee weken vakantie, toen een weekje Loo. Een druk weekje, veel leuke afspraken, op kleinkinders passen (het stralende snoetje van kleindochter als ze je tussen de vaders en moeders en ook best veel opa’s en oma’s op het schoolplein vindt) en een weergaloos goede voorstelling van de leraren van het Spinoza Lyceum in de musical met een fraaie hoofdrol van Oudste Dochter.  Een staartje Loofeest, hét dorpsfeest. Leuk om iedereen weer te zien en te spreken. Tussen de bedrijven door toch maar flink wat snoei- en ander tuinwerk verricht. Iedereen hanteert zo zijn eigen maatstaven in dezen en al is er best wat werk verzet, wij zien dan natuurlijk toch zaken die ook aandacht verdienen. Meidoornhaag, leilindes, taxus…. Er is meer van dan wij nodig vinden. Parkeerterrein, inrit….we hebben besloten geen enkele vorm van onkruidbestrijding meer te gebruiken behalve mechanische en dat houdt dan natuurlijk domweg extra fysiek werk in. En je lat anders leggen. Gras in het grind is mooi. En je kunt het ook kort maaien.

Er moet toch enig tegenwicht geboden worden aan de kaalslag die het maisperceel aan het eind van onze straat veroorzaakt. Letterlijk tot op het plaveisel staat de mais, de voormalige rand gras en wilde bloemen is voor het gemak ook maar even weg gespoten, net als die aan de andere kant van de weg. Tussen de mais groeit geen enkel ongewenst kruid. In de mais zoemt geen enkel insect. Het is te verdrietig voor woorden.

Het heeft iets van een dodenakker, dit volkomen gemanipuleerde gewas waarmee onze koeien straks weer gevoerd worden en wier melkproducten wij dan weer opdrinken en -eten. Omdat we de voorgeschiedenis niet weten.  Een doodlopende weg, die straat van ons. Letterlijk. Maar kan er aan het eind daarvan niet omgedraaid worden? En dan op een andere manier?

Terug in Normandië worden wij verrast door nieuwe borden die de voorheen naamloze wegen een naam geven. Ik had op andere plaatsen in de commune al gezien dat ze daarmee bezig waren: ‘Grande Rue’, ‘Rue de dolmen’ en gehoopt dat ons straatje het fraaie woord ‘Impasse’ zou mogen dragen. Want ook hier wonen wij aan een doodlopend weggetje, maar dan niet aan het begin maar  aan het eind. Ons weggetje wordt omzoomd door grassen en kruid en bramen. Hier wordt niks weggespoten maar mag alles blijven staan omdat het in het geheel der dingen een rol speelt. Vinden wij dat er teveel van iets is, dan ruimen we het handmatig op. In dit systeem laat ook niets zich dwingen. Het ene jaar staan de weilanden vol distels, het jaar daarop zijn ze op wonderlijke wijze verdwenen. Dat geldt ook voor mijn favoriete wilde voorjaarsplant, de blauwe morgenster. Ze laat haar lila bloemen alleen in de ochtend zien, na het middaguur sluit ze zich. De plant komt op waar ze er zelf zin in heeft: vorig jaar stond er een hele struik onder het raam van de salon, nu stond de plant alleen buiten het hek in de wei. Ook de keurig in de border geplante margrieten laten hun vrolijke gezichtjes aan de andere kant van het hek zien. Het is in onze tuin altijd weer een verrassing wat we dit jaar weer te zien zullen krijgen.

Ons weggetje draagt inderdaad de naam ‘impasse.’ Een woord als een dans. We zitten zeker niet in een impasse, voor ons betekent het woord iets totaal anders: een moment van stilstand, contemplatie en vervolgens verandering, een positieve draai. Mijn ingezaaide stukje wilde bloemen is in drie weken tijd flink uitgegroeid en gaat de komende weken nog meer moois opleveren. De frambozen en bramen zien eruit alsof ze flink vrucht gaan dragen. Achter de remise staan twee bijenkasten van een lokale imker. In de border en de ons omringende weilanden en akkers gonst het van leven. 
Ook in Frankrijk zijn maisakkers en doodgespoten bermen.  Maar gelukkig heeft de natuur hier meer ruimte en een hoop veerkracht en vertoont zich in alle kleuren. We zijn maar een speldenprik, maar alle beetjes helpen. En het is zoveel mooier en uiteindelijk ook beter, voor ons allemaal en vooral voor de generaties die na ons komen.







zondag 3 juni 2018

Kamperen I


We verblijven op een camping in het zuiden van Frankrijk. We treffen het: in heel Europa boven de Seine is het prachtig weer, wij hebben zeker eerder deze week mogen ervaren dat onze tent écht waterdicht is. Ook als het met bakken…etc.  We hebben de tent vorig jaar gekocht, Man wil niet aan een (eigenlijk ‘de’, want we hebben er één) caravan sleuren en bovendien kun je zonder aanhanger sneller in het zuiden zijn, daar waar het altijd mooi weer is. Vorig jaar testten we onze tent in september in hetzelfde gebied, de Gard, en maakten we een paar pittig koude nachten mee. Nu is ons slaapgenot aanmerkelijk verbeterd met luchtbedden mét een dekmatras erop. De nachten zijn ook iets minder koud. Maar goed. Het blijft kamperen. En regenen.  Dus soms moet ik mezelf er even aan herinneren waarom ik het ook weer zo leuk vind.

 We staan dan wel een beetje in een hoekje maar ik moet toch zeker twee keer per dag met de honden de camping over en dan is er genoeg te zien. Natuurlijk zijn er de stellen zoals wij, maar zij hebben wel een caravan en zitten onder de luifel in de nieuwste campingstoelen naast elkaar, tafeltje ertussen. De een vult een puzzelboekje in en de ander leest. Soms gaan ze fietsen en ’s middags staat de rosé al vroeg op tafel, waardoor ze opeens veel enthousiaster ‘Hallo!’ roepen. Maar als het regent kunnen ze ook binnen aan tafel zitten.  En ’s avonds als ze gaan slapen is hun bed vast warm en hoeft niet eerst op te drogen door hun eigen lichaamswarmte. En ze hebben misschien ook wel een kacheltje.  Dan heb je de mensen die, een beetje zoals wij, niet echt met een caravan op pad willen en daarom een heel kleintje hebben. Een Eribaatje. We hebben wel eens in eentje rondgekeken, zo praktisch en efficiënt alles! En zo gezellig knus!  Stiekem vinden zij dat ook, want ze zijn voortdurend rond hun huisje aan het rondscharrelen. Er is altijd wel iets aan te draaien, los te schroeven, op te hangen en er weer af te halen, je bent zo lekker bezig op de camping. En dit is nog maar een kleine greep uit het helaas toch wat verschralende aanbod. Aan mensen in witte campers is niets te beleven. Die zie je namelijk nooit.

Op onze camping doet zich een merkwaardig fenomeen voor: wellicht omdat hij in een soort kloofje ligt kunnen we de gesprekken die op 50 meter van ons af gevoerd worden woordelijk verstaan. We houden er zelf rekening mee dat dat andersom misschien ook het geval is. Maar je steekt wel weer het een en ander op.

Tegenwoordig zie je ook nogal eens alleengaande kampeerders. Ik trof er gelijk de eerste dag al een op het WIFI terras, hij ging stijf naast me zitten Facetimen met een dochter waardoor ik ongewenst op de hoogte werd gebracht van het recente overlijden van zijn vrouw en dat dit de eerste keer dat hij weer..etc. Eerder die middag had ik hem stiekem uitgelachen omdat hij met zijn enorme sleurhut niet op het perceeltje paste dat hij uitgekozen had. Zijn dissel stak geheel door de heg naar het naastgelegen veldje. Nu vond ik hem nog zieliger, alleen is zo’n immense hut. Want eerlijk, vaak doen ze toch wat stakkerig aan, die eenzame kampeerders.

Behalve Benny, zullen we hem maar noemen. Toen we vanmiddag net tijdens een korte droge periode thuiskwamen stond hij schuin tegenover ons, de beide deurtjes van zijn oude Ford bestelauto open zodat je binnen het met twee planken in elkaar getimmerde eenpersoonsbed kon zien, zijn forse lijf in een dertig jaar oud kampeerstoeltje geperst, de blote benen recht vooruit op een klapkruk. Een beker koffie, dik boek op schoot en ter completering van dit volkomen benijdenswaardige beeld een grote transistorradio op het kampeertafeltje naast zich. Ik wist op slag weer waarom ik het toch blijf doen, kamperen. Alleen die regen. Die mag wel uit.  
PS wifi is hopeloos hier. Vandaar even geen foto.

vrijdag 18 mei 2018

Voetbal




Ze lagen en hingen er alweer, bij But, de duizenddingenwinkel. Voetbaldecoraties. Natuurlijk ben je als winkel met zo’n naam (but = doelpunt) wel bijna verplicht les Bleus met alles wat je in je hebt te steunen, maar zeg eens eerlijk: NU al? Het begint toch pas over een maand (ik weet het echt niet, omdat Nederland niet meedoet had ik het hele WK verdrongen)? Opeens ben ik blij dat ik de hele maand juli niet in Frankrijk ben en niet mee hoef om overal naar wedstrijden waaraan de Fransen deelnemen te kijken en dan natuurlijk steeds aan te moeten horen dat ‘Les Hollandais’ er dit jaar níet bij zijn. Nee, dat weten we, dat is al erg genoeg, dat hoef je er echt niet steeds in te wrijven.

We hebben al wat WK’s en EK’s meegemaakt in Frankrijk. Misschien nog wel meer dan in Nederland. We hebben op een plein in Limoux meegejuicht voor de Fransen, we hebben nagelbijtend in een bar op camping La Plage in Vézay gezeten (manlief verdwijnt dan doorgaans na enige tijd omdat hij de spanning niet aankan), helemaal alleen met z’n tweeën zaten we in St.Rome-de-Dolan op de crête en een keer met een stel medebeursgangers in Parijs in een kroeg, maar de meeste keren zaten we ergens bij Fransen thuis met een hele club. Eén keer verloren we bij B(r)oer van Spanje en dat terwijl we ons geheel in het oranje hadden uitgedost. Vreselijke herinneringen heb ik aan die avond.

Ook onvergetelijk was de keer dat we ergens loei verweg heen gereden waren en ik alleen met de kinderen terug naar huis ging. In ieder dorp moest ik mij stapvoets door een uitzinnige menigte die schor ‘On a gagné’ brulde  heen worstelen,  onderwijl duim opstekend en instemmend meejuichen en hopen dat m’n dak het hield omdat fans er via de motorkap op klommen. De meiden doodsbenauwd op de achterbank, ik koortsachtig routes bedenkend die níet door dorpen voerden.

Verder ben ik erg slecht in het onthouden van dit soort wedstrijden, dus vergeef me als ik het helemaal fout heb maar volgens mij stond Frankrijk vier jaar geleden in de finale. We hadden bezoek uit Nederland en waren allemaal uitgenodigd bij Guy en zijn vrouw. Er stond een enorme breedbeeld tv in de kamer en er waren tientallen stoelen omheen gezet. Toen we kwamen was de wedstrijd al begonnen, maar het was mooi weer en nagenoeg iedereen zat buiten aan het apéro. Ik zette onze meegebrachte hartige taart bij de andere heerlijkheden en ging toch maar even naar de wedstrijd kijken. Die ontwikkelde zich niet helemaal naar wens. Toen de tweede helft begon kwam er meer belangstelling en langzaam werden alle stoelen bezet, wij hielden ons bescheiden op de achtergrond.

Maar aan het einde van de speeltijd was de wedstrijd onbeslist. Er kwam een verlenging. Tegen die tijd zaten wij  nagelbijtend voor de tv. Alsjeblieft geen strafschoppen. Vanuit de keuken werd iets geroepen en opeens kwam de rest van het publiek in beweging. Voordat we goed en wel begrepen wat er gebeurde waren alle stoelen leeg en stond iedereen in de keuken. Daar werd het toetje uitgeserveerd, een plastic glaasje gevuld met frambozen- en blauwe bessencompôte met een paar druppeltjes likeur, afgetopt met een licht gezoete crème fraiche. De commentaren logen er niet om: ’Délicieux. Heerlijk. Zo lekker.’ Ondertussen scoorde Éder in de 109de minuut het winnende doelpunt voor Portugal en waren wij, Nederlanders, daar als enige getuige van. Verbijsterd keken we elkaar aan.

Tant pis,’ zei men, het plastic glaasje leeg likkend.  En schonk nog een digestif in. En nu ik dit allemaal opschrijf weet ik ook zeker dat ik dat toch een beetje ga missen, in juli. Want natuurlijk hoop ik toch dat Frankrijk het ver schopt, dit jaar. Misschien dat ik dan bij gelegenheid zo’n lekker toetje maak. Om het te vieren. Of als troost. 




zaterdag 12 mei 2018

En wat doe je daar dan zo de hele dag?



‘Verveel je je niet?’ vraagt mijn nichtje. We lopen door de wei, we hebben zojuist een vaars opgehaald die niet met de kudde mee terug gelopen was naar de melkrobot. Het koetje is ‘in opleiding’ want nog niet gekalfd, maar ze moet zo wel leren hoe het hoort. Dat lukt nog niet helemaal, want gisteren was ze ook al achtergebleven. Ik zag haar liggen met haar zwart omrande ogen net onder de bomen waar de meeste koeien schaduw zoeken als het warm is. En het was warm, heerlijk warm.

‘Vervelen? Nee, absoluut niet,’ zeg ik. Ik zie dat ze dat maar nauwelijks kan geloven. Zo saai, in zo’n huis midden in de wereld, wat moet je daar in ’s hemelsnaam doen? Ik begrijp de onrust van de plattelandstiener, die voor bijna alles gehaald en gebracht moet worden met de auto. Maar die tijd heb ik ver achter me.

We zijn de afgelopen dagen bezig geweest bomen in stukken te zagen die b(r)oer voor aankomende winter gekapt had. We waren daar laat mee, maar het land was steeds te nat om met een tractor en wagen heen te rijden. We hadden al wel veel van de takken afgezaagd en ik bouwde de voormalige kruin van de bomen tot brandstapel. De buizerd, die boven in de enorme eik nestelt die je op onderstaande foto ziet, vond al die activiteit maar niks en ging op jacht. Gisteren waren we klaar en was het land weer grotendeels vrij om te maaien. B(r)oer had de eerste snee al gemaaid en vandaag ingekuild. 

We hadden een dorpsfeest in een dorp verderop waar D. met de band waarin B(r)oer speelt mee mocht drummen. We gingen natuurlijk naar de geweldige rommelmarkt in Le Sap en omdat we toch moesten tanken reden we ook maar naar Aube, waar we op de foire à tout ter plaatse twee spiksplinternieuwe elektrische radiatoren scoorden voor toilet en badkamer boven. Voor verwarming gaan we helemaal over op hout en elektra en we verdiepen ons in zonnepanelen of groene stroom.
Ik ben begonnen met het schilderen van de omlijsting van de ramen en heb en passant de luiken schoongemaakt en hier en daar wat volgegoten met verf. Veertien jaar geleden gaven we ze na de renovatie een jaar of tien, nu is er een aantal nog in redelijke staat maar de meeste kunnen eigenlijk niet meer. Om het wat grimmig ogende huis een vriendelijker aanzien te geven schilder ik Bentheimer geel rond de ramen: dat is vroeger ook zo geweest, je kunt de restanten verf (en hoe je moet schilderen) nog op de gevel terugvinden. Er komt een steiger voor de bovenverdieping. En dan is er natuurlijk de tuin, waar alles groeit en bloeit in een heerlijk overzichtelijke omvang. De appelbloesem heeft haar mooiste tijd gehad, nu knalt de meidoorn uit de hagen met zijn met slagroom bedekte takken.


Ik heb de tomatenplantjes die ik opgekweekt had uit het zaad van de tomaten van Jéremy uit St Hippolyte-du-Fort in de kas geplant nadat ik daar met S. een plantbed had aangelegd. Dat klusje had ik even iets onderschat want dat bleek volgens een aantal vastgestelde stappen te moeten. Eerst brachten we een laag dood materiaal aan, dus planten van het vorige jaar en takken en stukken hout, toen eigen gemaakte compost. Vervolgens gingen we humus onder de bomen in de wal opgraven en over het bed uitspreiden, daarna een heleboel brandnetels (zonder wortels) eroverheen, we mengden kippenmest met de gortdoge klei uit de kas, spreidden dat weer uit (ondertussen werd iedere laag flink begieterd) en helemaal als laatste kwam er een dikke laag stro over. Ik besloot het maar niet te hebben over een paar zakken bemeste tuingrond en gedroogde koemest. Volgens S. was het éven werk, maar kan je er wel drie jaar mee verder. Ik was in ieder geval gebroken na dit zware werk. Maar alles voor een goed resultaat, natuurlijk. Dat houdt ook in dat ik regelmatig de boel kom begieten, evenals de aardbeien die we al eerder van onkruid hadden ontdaan en die nu de grond uit knallen. Wel jammer dat gemeen bijtende rode mieren ook dol zijn op aardbeien. S. overgiet ze met kokend water en voert ze maismeel. Dan knallen ze uit elkaar. Een beproefde biologische methode, die op mij toch wat wreed overkomt. Maar het helpt wel wat, we hebben onze eerste aardbeien al geoogst.

En dan waren we gisteravond naar de kermis in L’Aigle, om daar een lekker vet patatje eten en vanmorgen werkte ik in de Quincaille Rit en straks gaan we Italiaans eten bij Mathilde.

Dan moet ik natuurlijk ook nog gewoon werken voor mijn geld, dus om nu te zeggen dat ik me verveel: nee. Ik wou maar dat het een keer zo was en ik tijd vond om weer eens lekker te schrijven!





dinsdag 1 mei 2018

Stil


De kleinkinderen waren op bezoek, met hun ouders. Eerst brachten we vier dagen door in Disneyland en verbleven in een chalet op de Davy Crocket Ranch. Ondanks dat het druk was in Disneyland hadden we daar niet zo’n last van. We waren er, we gingen zo nu en dan ergens in maar de grootste attractie voor onze 4-jarige bleek de speeltuin in Frontierland te zijn (geen wachttijden). Bijna alle andere dingen waren nog best wel behoorlijk spannend. Behalve natuurlijk ‘It’s a small world’, leuk voor jong & oud. En de werkelijk indrukwekkende parades. De ouders konden ook nog een middag en avond samen door de parken terwijl wij op de kleintjes pasten.  Ging ook allemaal prima.

Nadat we ons op dag vier hadden weten los te scheuren van al dit vermaak reden we op zaterdag terug naar La Noblet. Hadden we tot dan toe prima weer gehad, op zondag begon het te regenen en dat hield tot aan dinsdagnacht niet meer op. IJzig koud was het ook. Het type weer waar je je eigenlijk een beetje voor schaamt, als je visite hebt. Je wilt ze graag laten meedelen in waarom je het hier zo prettig vindt en dan heb je dit. Dochter mopperde ook al dat het ‘altijd slecht weer is’ als ze hier zijn, maar toen herinnerde ze zich gelukkig van vorig jaar ook nog een zwangere luie middag in de ligstoel.

Toch beperkt slecht weer je bewegingsruimte enorm. Een huis is gauw te klein met zes mensen en twee honden erin. Een zonnetje maakt het leven zoveel eenvoudiger en aangenamer. Maar goed, een kleuter en een bijna 10 maanden oude baby maken, samen met hun ouders, best een hoop herrie en brengen leven in de brouwerij. Natuurlijk kwam de Franse familie ook nog een paar keer langs en eten, stortten we ons met vier man op een 1000 stukjes puzzel van Jan van Haasteren en gingen we shoppen en zwemmen in L’Aigle.

Dus toen vanmorgen het hele spul vertrok was het opeens oorverdovend stil. Een zanglijster schetterde zo hard hij kon, maar dat maakte de stilte niet lawaaiiger. Omdat de zon scheen konden we wel weer naar buiten en wat dingen in de tuin en op het erf doen. Er was wat achterstallig werk in te halen. En veel wasgoed. Het is 1 mei, er was overal van alles te doen en ik kreeg een paar takjes Lelietjes-der-dalen van mijn jongste nicht, de traditionele lentebloem voor deze dag van de Arbeid waarop heel Europa vrij is behalve Nederland.

Een oude vriendin zei altijd als er iets moois gebeurd was: ‘Dat kan je weer in je rugzakje stoppen.’ Een heel andere betekenis dan dat ‘rugzakje’ tegenwoordig heeft. Deze afgelopen week, met eerst het bezoek van mijn oudste vriend (nog van de middelbare school) en zijn vrouw en daarna de kids, kan er weer in, in dat fijne rugzakje. En die stilte: die bevalt gelukkig weer prima.


vrijdag 20 april 2018

Jurkje


Op de eerste warme lentedag van het jaar zal het er dan toch van moeten komen: de lange broek, het veilige t-shirt met lange mouwen, trui, vest, sokken en korte laarsjes gaan uit. Er kan een jurkje aan. Tja. Meteen maar een best blote, dan hebben we het maar gehad. Ik heb ‘m vorige zomer al van oudste dochter gekregen, hij was haar te groot. Maar ik heb hem nog nooit gedragen. In dit huis heb ik geen passpiegel, alle spiegels tonen mijn bovenste helft, dus voor het hele plaatje ben ik afhankelijk van het oordeel van de man in huis.

‘Staat dit?’
‘Ja geweldig! Leuk! Zit ook lekker zeker?’ Die laatste toevoeging had nu net niet gehoeven. Maar hij draait om me heen, trekt de jurk van achteren nog even recht en bekijkt me goedkeurend. Wel een beetje alsof hij me voor het eerst weer ziet, uitgepakt en wel.
‘Ik bedoel, ik kan hier zo wel mee naar de bakker, het is niet gek ofzo?’ Sinds alles wat is gaan hangen en verkleuren op allerlei nu meedogenloos aan het daglicht blootgestelde plekken ben ik meer van de koude maanden gaan houden. Met onverwoestbare loyaliteit zegt hij dat ik er prachtig uitzie. Misschien nog wat wit, maar dat trekt vanzelf bij. Zelf begeeft hij zich grotendeels in de schaduw en is binnen drie dagen hazelnootkleurig, wat tegenwoordig prachtig staat bij zijn zilverwitte haardos, bij mij duurt dat allemaal een stuk langer.
In de badkamer kijk ik mismoedig naar de rimpels in mijn bovenarmen. Ook al die levervlekjes op handen en armen en tegenwoordig ook op m’n benen, waar is dat allemaal goed voor? Ik bedoel, het is zo jammer dat het leven leuker wordt bij het stijgen van de jaren (en dat vind ik echt) maar je uiterlijke verschijning daar geen gelijke tred mee houdt. Je haar kleuren, ook zo’n puntje. Nu ben ik nog niet echt helemaal grijs, meer het type zilveren draden tussen het goud. Een keer of twee, drie keer per jaar laat ik m’n haar verven, maar het laatste jaar twijfel ik of ik dat nog moet doen. Zeg nou zelf, vaak is het heel lelijk, zo’n stevig bruin geverfde haardos bij een tamelijk kleurloos, rimpelig gezicht. Tegelijkertijd wil ik er ook nog niet aan, aan die peper-en-zoutfase. Ik ben er hier net een beetje aan gewend mezelf zonder make-up aan de wereld te tonen. En die te lange pony die me voortdurend in de ogen waait heb ik nu à la Ans Marcus strak achteruit getrokken. Met een haarband. Dus voor mijn eerste trip buitenshuis in een jurkje moet ik toch even mijn gezicht opzetten. Routineus zijn mijn ogen binnen drie minuten van oogmake-up en mascara voorzien en kleur ik mijn lippen rood. Zo. Ik ben er nog. Want dat is natuurlijk wel de politiek correcte gedachte die op al dit ijdele gezanik hoort te volgen. Maar soms…….



zondag 8 april 2018

Rommelseizoen





Het rommelseizoen is weer begonnen. In Frankrijk brengt men zijn overtollige spullen niet naar het Goed of een andere kringloopwinkel, men verkoopt ze gezellig zelf op straat. Op de Vide Grenier (maak je zolder leeg) en de Foire à tout (markt voor iedereen) wordt er, meestal op zondag, voor weinig een paar vierkante meter gehuurd en volgepleurd met inderdaad grotendeels rommel. Er zijn ook Brocante markten, daar proberen de mensen spullen die ze op de vide greniers kochten, wat opgepoetst en van een nieuw laklaagje voorzien vervolgens voor 15x zoveel te verkopen. Dat zagen we in maart in St. Pierre-sûr-Dives, waar er in het prachtige middeleeuwse marktgebouw iedere eerste zondag van de maand zo’n markt is en daarnaast ook nog een hele serie winkels hun spul aan de man trachtte te brengen. Behalve het prijspeil is het grote verschil dit: op de vide grenier heeft doorgaans iedereen plezier en op de brocante markt wordt er door de kooplui alleen maar gemopperd. ‘Men koopt niet, men vindt alles te duur, het is niet meer wat het geweest is’ ga zo maar door. Leuk, als je daar als bezoeker je ogen streelt met het moois dat ze te koop hebben. Maar ja, die prijzen hè? Inderdaad is het leuker om dat snoezige tafeltje op wieltjes zelf op een foire à tout te vinden en dan op te knappen. Voor 3 euro. Nou, vooruit, 5. Maar niet voor 45 euro kant-en-klaar aan te schaffen.

Tegelijk met die rommelmarkt, waarvan de huuropbrengst meestal voor het Comité de Fête is maar soms ook voor een goed doel, zoals de brandweer of slachtoffers ergens van, is er natuurlijk te eten en te drinken. Lauwe, meestal héle vieze koffie, allerlei frisdranken maar natuurlijk komt men voor de goedkope drank. Al vroeg wordt er genoten van de Rosé Pamplemousse, een geaccepteerd drankje voor tussendoor, alvorens aan het serieuzere werk van het apéro te beginnen. De standhouders  krijgen van de organisatie ook een drankje aangeboden. Er wordt frites gebakken én wat ons opvalt: tegenwoordig wordt het er standaard bij geserveerd: mayo! Dat hebben die Hollanders dan toch maar mooi voor elkaar gekregen. Wij weten wel wat lekker is.

Hoofd Zooi en ik beschouwen het als hobby, het bezoeken van rommelmarkten. We rijden er rustig een kilometer of 80 voor op een zondag, want we bezoeken er meestal een paar. We kijken in het oranje gidsje, we nemen eerst de grootste en kijken dan wat voor tijd erover blijft voor de rest. Vandaag deden we het ietsje anders en gingen we eerst naar Broglie want dat lag op de route naar de volgende markt. We waren nog maar vijf stappen op de markt toen ik iets interessants zag: een brommerscooter in 1:12.

Nu gebeurt er dit: je hebt er werkelijk nooit één seconde aan gedacht een brommerscooter voor je poppenhuis te willen parkeren, maar nu je hem hier ziet staan voel je pas wat je al die tijd gemist hebt. ‘Deze brommerscooter hoort voor mijn huis te staan.’ Hij kost 4 euro, ik mompel wat onverschillig, bied 3. De verkoopster kijkt zuinig, wij tellen het geld alvast uit. Ze knikt. Ik krijg er nog een bubbeltjesplastic zakje bij om hem in te doen.

Hierna was ook gelijk mijn geld op dus gingen we eerst pinnen. Weer terug zagen we nog een nieuwe keukenkraan, maar daar bleek een essentieel onderdeel van te missen (altijd even goed zo’n ‘spiksplinternieuwe’ doos nakijken hebben we geleerd) maar verder was er niets van onze gading. We gingen naar het volgende dorp, Marolles. Daar zouden 90 kramen zijn.  Er waren er acht. Er was een mevrouw met een tafeltje met spullen waar ze op gele postits de prijzen van had opgeschreven. Zodat ze niet met je hoefde te praten, zeg maar. In een stevige jas gewikkeld keek ze straal een andere kant op. ‘Ik zit hier niet, ik heb níets te koop.’ Ze had twee boerenbont soepkoppen (le lot 3 euro), dat vond ik wel wonderlijk om die in zo’n Normandisch dorp aan te treffen en die had ik wel willen kopen voor schoonzus, die dat servies heeft. Maar bij zoveel afweer durfde ik  geen gesprek met de verkoopster aan te gaan. Deze markt kreeg een 3. De route naar de volgende was mooi, dat pik je dan toch maar weer even mee. In Grand Camp was ook niks van onze gading. En de frites die ze daar hadden lag lauw in bakken op klanten te wachten. Ook een 3. Dus gingen we maar thuis een stokbroodje vloeiendrijpe camembert eten. En als bonus ook nog voor het eerst in een aangenaam zonnetje op ons eigen terrasje.
Geen patat met worst (en mayo) gekocht, geen olielamp, geen hamerboormachine, geen keukenkraan, één brommerscooter gescoord en verder dus helemaal niks, eigenlijk hadden we deze ochtend alleen maar geld verdiend. Zo'n conclusie vormt altijd weer een goed uitgangspunt voor de volgende marktbezoeken!   


donderdag 5 april 2018

Weer chez nous




We waren een dag of zestien in NL. Ik was uitgenodigd samen met twee andere lokale auteurs een boekpresentatie te geven, dus gingen we wat eerder terug dan de bedoeling was. Laat ik maar zeggen dat het een gezellige middag was en dat we een aantal mensen blij gemaakt hebben. Ik had er in ieder geval geen spijt van, dat we een dag eerder terug waren. Behalve dat het ‘nemen van Antwerpen’ op een dag door de week een schier onmogelijke opgave is geworden.


Rond ons pied-à-terre het Bakhuusje was het aanvankelijk stervenskoud. Een restantje Russische Beer meende juist toen wij er waren weer langs te moeten komen. Zelfs in zo’n klein huisje had de cv er best een hijs aan de boel aangenaam te houden. En dan was het in het begin ook nog schipperen met de ruimte. Daar word ik erg ongeduldig van, dus gingen we voortvarend aan de slag om ons tiny house optimaal in te richten voor een probleemloos verblijf. Dat lukte. Het was zelfs een dag warmer dan 10 graden en dus kon ik de rabatdelen zwart verven tot de verf op was. Ook plaatste D. een schutting, mooi met de bocht mee en zo ontstond er een fraai terras, waar we paaszaterdag lekker buiten hebben geluncht met nagenoeg het hele gezin. En bij het Paasvuur was het ook heel gezellig. Na nog het 50jarig verjaardagsfeestje van de buurvrouw mee gevierd te hebben zat ons verblijf er weer op. Dit keer mocht de caravan volgeladen mee. Dat betekent wel een aanmerkelijk langduriger reis, want echt boven de 100 kom je niet uit. Een eind achter een vrachtwagen hangen is vaak verstandiger, zeker met forse tegenwind. Want natuurlijk bereik je voeger of later je bestemming, tenminste als er zich geen calamiteiten voordoen. En hoe lang je erover doet, is eigenlijk al geen issue meer. Daar stel je je op in.


Vandaag de boel uitgepakt en ondertussen gewerkt aan P&M 155. Wilde allemaal niet zo vlotten als ik dat wou. Soms heb je van die dagen dat je ’s ochtends wakker wordt en eigenlijk meteen al weet: dit gaat ‘m vandaag niet worden. Tikje katterig, na al die drukte nu weer de complete rust. Nou ja, de wind gierde om het huis, het was weer ouderwets koud en het hout in de chaudière wilde eerst voor geen meter branden. De was hing ik buiten op met tintelende vingers van de kou. Onze jongste Smous, Ronja, was dekrijp en het was zaak haar voortdurend in de gaten houden, want ze wou op zoek naar een gewillige reu, dus moest het hek gesloten blijven. Gelukkig had ze veel afleiding aan Tess, de hond van B(r)oer, die op visite kwam en ook loops bleek. Ze hebben vast van elkaar genoten.


Ik ging maar eens buiten wat doen, volgens D. besteed ik 60% van mijn tijd voor een beeldscherm. Vind ik zelf ook niet fijn, maar ja. Ik plantte de frambozen die ik gekregen had van D. en M. en rommelde wat in de tuin. Het is echt een narcissenfeestje, onze tuin. De bollen komen ieder jaar met meer op, dit in tegenstelling tot wat je tegenwoordig koopt en na drie jaar voorgoed verdwenen is. We gingen even dag zeggen bij B(r)oer, die was moe en de kou en de natheid zat. Er is bijna geen voer meer voor de koeien, op de veel te natte weilanden groeit het gras onvoldoende, het stro is op of kost kapitalen.


En dan zit ik te miepen in mijn fleecetrui, bodywarmer en vilten sloffen met genoeg te eten en te drinken en een inmiddels weer gloeiende chaudière, waar ik net de avondmaaltijd op bereid heb. Ok. Klaar met piepen. Strak een Netflixje kijken, voetjes gestrekt op de poef. Morgen is er weer een nieuwe dag! En een zonnige, is ons beloofd.


Ook (een van) mijn boeken lezen? Hier vind je ze!