dinsdag 6 november 2018

Weekendje Lille








Op zondagochtend lopen we al voor half tien door een uitgestorven Lille. Niet bepaald ‘a city that never sleeps,’ wel een stad die ons al bij aankomst op vrijdagmiddag heeft omarmd en voor zich heeft ingenomen.

We hebben er al heel wat kilometers slenteren en wandelen op zitten, sinds vrijdagmiddag. Op een straathoek staan drie dertigers een stevig gesprek te voeren. We vangen één zin op, omdat die met overtuiging en overredingskracht wordt uitgesproken: ‘L’importance, c’est dans le détail’. We kijken om ons heen. Deze zin ‘het allerbelangrijkst zit ‘m in de details,’ zegt eigenlijk precies waar het hier in Lille – en eigenlijk overal - om draait. De tegelplateautjes op de gevels die verder geen enkel doel dienen dan een gebouw op te leuken, de voetenschraper bij de ingang van een woonhuis, het bladgouden fliepeltje op het kunstzinnige gebak bij Meert, de perfect afgewerkte hotelkamer, de fraai gerestaureerde gebouwen op de grote schone pleinen, de brede grijns van herkenning op het gezicht van de ober in wiens etablissement we voor de tweede keer komen eten. Het is echt een stad die zichzelf na jarenlang verval opnieuw heeft uitgevonden en dat met verve voortzet. Bijzonder is dat nagenoeg het hele centrum ook voor gemotoriseerd verkeer toegankelijk is maar de voetganger altijd voorrang heeft. En ook probleemloos krijgt!




Het gebied rond de Citadel is helemaal opgeknapt en biedt onderdak aan een dierentuin en een klein pretpark waar het op de laatste vrijdagmiddag van de vakantie een drukte van belang is. In de late herfstmiddag is het een mooie wandeling, die we later nog voortzetten langs een van de fraaie Avenues die Lille rijk is. 

Met de tram reizen we de volgende dag naar Roubaix. Ook hier prachtige woonhuizen, een fraai park en maar liefst vier bloemetjes in het kader van de Ville Fleurie voor de stad. Op zoek naar ‘La Piscine’ lopen we waarschijnlijk wel weer een paar kilometer om, want de in Ch’ti frans uitgeduide route van een metrobeambte hebben we niet zo goed begrepen, maar dat is helemaal niet erg, de zon schijnt, ook hier is moois te zien. We staan een tijdje in de rij voor het museum dat onlangs weer is heropend na een verbouwing. In een voormalig zwembad etaleert Roubaix zichzelf, zijn kunstenaars maar ook vele anderen en toont mode en stoffen uit het rijke verleden van de stad. Nog steeds is het zwembad gevuld met water en kun je door de kleedhokjes wandelen. Er zijn opstellingen met lades die je kunt openmaken en waar je aan de inhoud ervan mag voelen. Bij de entree stagneert het nogal omdat er bij de garderobe ook ipads en audioguides worden uitgegeven en weer ingenomen en het is een beetje teveel voor het aanwezige personeel: als wij na twee-en-half uur uitgekeken zijn staat er een rij tot buiten het museumterrein. We lopen naar het fraaie station en keren met de bestuurdersloze metro terug in Lille.








Daar ontmoeten we twee van mijn nichtjes in weer zo’n gezellig etablissement. In de Rue Esquermoise bevinden zich talloze speciaalzaken met vooral veel chocolat en taartjes, in Vieux Lille is het verder goed toeven in de Rue de Gand met talloze restaurants, waar onder het no nonsense restaurant La Connivence met stevige lokale kost zoals Welsh: een ovenschaaltje met mosterd besmeerd witbrood, daaroverheen een plak ham, dan een laag cheddar óf Maroilles en tot slot een gebakken ei. Met home made frites erbij is dat een maaltijd die je jezelf best mag gunnen na een dag wandelen!

Natuurlijk heeft ook een stad als Lille te kampen met mensen die langs de zelfkant naar beneden glijden. Als ik op zondagmiddag zit te wachten op mijn trein vanaf station Lille Flandres danst een strak in het pak zittende man ‘hakuna matata’ zingend door de wachtende reizigers. Als de spoorwegbewaking ingrijpt gaat hij de politie bellen. In de stad zelf zijn veel bedelaars, ook hele jonge. Dat schijnt nu eenmaal onontkoombaar. Ze horen bij het stadsleven, net als de grote betonblokken die de toegang tot kwetsbare delen van de stad beschermen. 





                                                                                                                             

foto Diana
Als we tot slot en besluit op de markt in Wazemmes met leuke jurkjes voor weinig terugkomen is dat natuurlijk helemaal top. We hebben een eigenlijk onverwacht fantastisch weekend achter de rug. Goed weer was zeker een belangrijke factor, maar deze keer niet de belangrijkste. Lille, au revoir!



maandag 22 oktober 2018

Gezellig






Terug in het Franse land was onze eerste gang richting het verjaardagsfeest van M&M in de salle de fête in Villers-en-Ouche. Het hele parkeerterrein stond vol auto’s maar binnen leken er veel minder mensen dan auto’s te zijn. Je kon wel heel goed zien wie er allemaal waren, want de verlichting was bepaald oogverblindend te noemen. We hebben het al meer meegemaakt: een feest in een helverlichte ruimte, waar het TL licht meedogenloos de steeds roder wordende hoofden, onvaste tred en omgevallen glazen toont. Toen Schoonzus vorig jaar 50 werd was ze heel stellig: de verlichting moest sfeervol. Dat had ze in NL gezien en dat vond ze véél gezelliger. Wij blij dat ook eens iets uit ons land haar goedkeuring kon wegdragen, want behalve kroketten, pepernoten en fietsen heeft ze niet veel op met Nederlandse gebruiken en eetgewoonten, maar goed, een stuk of twaalf snoeren met honderden kerstledlampjes verlichtten haar feest op intieme wijze. En het was een topfeest.

Op de verjaarspartij van M&M waren grote ronde tafels prachtig gedekt met een fraai bloemstuk met kaars in het midden. Aan onze tafel ging V., die nooit iets anders drinkt dan melk en ook nu een 1,5 literpak naast haar bord had staan, een aansteker halen en hadden wij zomaar een brandende kaars, die echter geheel in het niet viel in dat badende licht. Toen iedereen een zitplaats had gevonden (buren bij de buren, vrienden bij de vrienden, kinderen bij de kinderen, familie bij familie) kon het eten beginnen. Daarvoor hadden we al genoten van een stevig apéro met diverse lekkere en gezonde hapjes. Nu kregen we eerst heerlijke worst en ham en een gesmoorde zalm met eigengemaakte aioli. Hoe het kwam weet ik niet, maar aan onze tafel ontspon zich een gesprek over veganisme en dat is dan altijd zo leuk in dit land, het gaat meteen van dik hout! Ik durfde na genoeg drankjes best te beweren dat ik van mening ben dat veganisten hun eigen menszijn ontkennen en dat sla óók leeft voordat je het van z’n worteltjes snijdt, mijn Parijse buurman was het daar maar moeizaam mee eens. Gelukkig kwamen we wel tot de eensgezinde conclusie dat het gekkenwerk is dat die mensen ook hun honden en katten spruitjes en sperciebonen voeren – wat dan weer eigenlijk het voorafgaande bevestigt, maar goed. Op de een of andere manier gaan die Franse tafeldiscussies zelden over het weer of waar we naartoe gaan op vakantie. We hebben wel eens in een ander gezelschap waar her en der wat fricties zaten een hele avond over eten en drinken weten te praten, een veilig (en vertrouwd) onderwerp dat slechts aan ongevaarlijke discussie onderhevig is.

Na het heerlijke hoofdgerecht: magret de canard met in spek gewikkelde haricots (in NL uit, maar het blijft lekker) en krieltjes aan een bamboestick volgden kaas en daarna een keur aan desserts. Ondertussen had een kleinzoon nog prachtig op de accordeon gespeeld, maar verder waren er geen voordrachten.  We zongen Happy Birthday en toen konden we toetjes halen. Ook allemaal weer geweldig lekker, glaasje champagne erbij.

Tegen kwart over een waren we echt bekaf en namen we afscheid. De jarige nodigde ons uit om ook zondag midi nog weer de restjes op te komen eten vanaf 12.00 uur, maar dat hebben we maar niet gedaan, deze keer. Even bijkomen van zo'n overdosis Frankrijk. 

We kwamen thuis in onze eigen keuken, die ook baadt in het sfeerlicht van de TL buis. Ooit bewust zo gehouden, want zo typisch Frans, voorzie ik dat hij deze winter toch verdwijnt en we ook in de keuken gezellig kunnen schemeren. En als iemand dan wil zien wat hij eet, dan zet hij er maar een kaarsje bij……


zaterdag 29 september 2018

Overal beessssstjes





Vanmorgen deed ik mijn ogen open en zag dat het plafond overdekt was met zwarte rondjes, een paar millimeter groot. Ik knipperde eens flink met m’n ogen maar ze zaten er nog steeds. Bij nader onderzoek (zo handig een bioloog in huis te hebben) bleek het om de invasieve soortgenoot van ons eigen ‘Bête de bon dieu’ te gaan, het Japanse lieveheersbeestje. Wel in piepkleine uitvoering, wat bemoedigend is: kevertjes zijn altijd in één keer klaar, groeien niet meer en als ze zo klein blijven is hun einde in het verkeerde werelddeel nabij en dan kunnen die van ons de boel weer overnemen.


Want wat hebben we veel beestjes. Enorme (kelder)spinnen, vliegen, bijen en wespen in allerlei soorten en maten, prachtige kolibrivlinders, vlinders in het algemeen. En tipuliden. In deze tijd van het jaar kruipen die gammele grote muggen, die eigenlijk nergens anders toe dienen dan er gewoon te zijn, uit de grond. Ik heb een enorme hekel aan die stakerige griezels met hun onuitstaanbaar mooie naam. Ze houden er erg van in huis te zijn, dus trek je de gordijnen dicht, dan fladderen er gelijk drie, vier, uit. Echt een beetje fatsoenlijk vliegen kunnen ze niet.  Ze gaan bij voorkeur aan het plafond hangen, zodat ze zich zodra jij het licht uitdoet kunnen laten vallen en in je nek en in je neus kruipen. In hun ondergrondse larvenstadium zijn ze ook nog eens een behoorlijke pest, want ze eten graswortels en kunnen je hele gazonnetje naar de knoppen helpen. Eenmaal veranderd in mug, is de langpoter alleen maar aanwezig om zich voort te planten en als vleermuizenvoer te dienen. Maar ja. In het kader van All things bright and beautiful gedogen hem. Hij is er maar even, maar dit jaar wel in groten getale.

Ook grappig is dat wij een soort pratend luik hebben. Er zitten één of twee vleermuizen achter en die maken vreemde, krakende geluiden, soms in grote opwinding. Ik doe het luik maar niet open (of dicht, het is maar hoe je het bekijkt). We hebben ook ergens een slang en ooit waren er hagedissen, maar die hebben we al jaren niet meer rond het huis gezien. Als er geen vee is lopen er reeën en er zijn wilde zwijnen: eentje kwam eens voorbij gedaverd, er werd vast jacht op hem gemaakt en aangezien er op B(r)oers land niet gejaagd mag worden, vond hij hier een veilig heenkomen. Dit jaar was er voor het eerst een fazantenfamilie met zeker zes grootgebrachte jongen. Waarschijnlijk een paartje gevormd door overlevers van de uitgezette fazanten voor de jacht. 


Inmiddels hebben we dertien eikelmuizen gevangen in de vangkooi (gemiddeld om de dag één) en gisteren liep er opeens eentje in de tuin. Hij had het kenmerkende laconieke van ‘wie doet me wat’ over zich, kuierde wat door het gras, kroop door het gaas, klom als een eekhoorntje in een conifeer en werd toen gegrepen door onze Hollandse Smous Ronja. Onmiddellijk ontstond er een strijd op leven en dood tussen D., de hond en de muis. Ronja peinsde er niet over zich haar prooi te laten ontfutselen, D peinsde er niet over om een van zijn geliefde muizen door de hond te laten afslachten en brulde ‘Laat Los’, de muis piepte zo hard als hij kon, wat zo allemaal bij elkaar toch wel een bijzonder tafereel opleverde. Tenslotte won D., zoals het hoort, de hond diep beledigd achterlatend. De muis zat nog een tijdje geschokt na te piepen in het struikgewas en toen werd het
 stil.  Hoe dan ook, ze gaan al bijna in winterslaap om dan pas begin april weer wakker te worden. Er hebben zich vast al een paar in het steenwol genesteld, want de laatste dagen blijft de camembert in de vangkooi onaangeroerd. Alle elektrakabel op zolder is afgedekt met muizengaas en er zijn gaten in de vloeren gedicht met cement. Kosten noch moeite zijn gespaard de muizen buitenshuis te houden.  Maar als het gaat over man en muis, dan weet ik wel wie de uiteindelijke winnaar is. En dat geldt eigenlijk voor alle beestjes. Daarom kunnen we ze toch maar beter te vriend houden.

 



zondag 16 september 2018

Patrimoine





De Openmonumentendagen in Frankrijk heten de ‘jours de patrimoine’. Het klinkt een beetje 'vaderlands,' dat woord, maar het betekent eigenlijk niets anders dan in NL. We hebben het hier over cultureel erfgoed en dat komt ook tot uiting in het bezoek dat we deze ochtend brengen aan de ‘ferme d’antan’ in Rai. 364 dagen van het jaar staat deze grote met gemeenschapsgeld  gerestaureerde boerderij met zeker vijf opstallen, een op hout gestookte broodoven, vele landbouwwerktuigen en een museumwinkel waar niets te koop is, leeg een heleboel geld te kosten. Eén dag van het jaar kun je de ferme gratis bezoeken en zijn de stallen en het land gevuld met voornamelijk bejaarde vrijwilligers die ons met de beste bedoelingen uitleggen en laten zien hoe het er vroeger aan toe ging in zo’n gemeenschap. Ons eigen huis maakte overigens ook deel uit van zo’n gehucht. Daar is bijna niets meer van over.

Bij aankomst kijkt één vriendelijk geüniformeerd persoon even in je tas en dan stap je honderd jaar terug in de tijd, zeker wij vanochtend want B(r)oer, Schoonzus en ik we waren onfrans vroeg op pad. We hadden nl ook een afspraak voor le repas du midi en D. mocht een rondvluchtje maken met Gaetan in zijn ultralight vliegtuigje! Die was dus niet mee naar Rai. 



Het was een prachtige ochtend, de nevel was nog maar net opgetrokken in de vallei bij Rai, er was een hoop te zien en B(r)oer leerde voor het eerst van zijn leven verse roomboter te maken. Dat bleef hangen, natuurlijk, dus dat opende ook direct perspectieven. De demonstraties met die ontroerend grote paarden, de Percherons, vind ik altijd het allermooiste. Als er ergens Percherons te zien zijn, ben ik er ook. Het is een soort knuffelpaard, zichzelf er absoluut niet bewust van dat hij 1000 kg weegt en daar heel wat mee zou kunnen uitrichten - ware het niet dat hij gewoon doet wat zijn baas tegen hem zegt. Meestal.  Er was wel een stuk akker aangeplant met aardappels, wortelen, kolen en pompoenen en de paarden waren ingespannen om de aardappels te rooien. Achter de machine raapten een stuk of acht mensen, jong en oud, de aardappels en lieten daarmee direct zien hoe het boerenbedrijf vroeger zoveel meer mensen aan het werk had dan nu het geval is. Dit beeld en de stap naar een door één persoon aangedreven aardappelrooimachine is bijna niet voor te stellen. Mij hoor je niet zeggen dat het vroeger beter was, maar of dat nu wel zo is, wordt onderhand ook steeds lastiger te verdedigen.



Met onvoorstelbare snelheid zaten een paar dames te kantklossen, het blijft raadselachtig om te zien hoe ze de spelden verplaatsen en er weer een klosje overheen gooien. In een belendend kamertje probeerde een andere mevrouw een jonge blom uit te leggen hoe ze op vier naalden moest breien. Er waren mannen die over de natuur vertelden en kinderen konden kleien en mozaïeken. We bekeken de landbouwdieren en ik vond het kippenras dat chocolade-eieren legt! Tegen twaalven moesten we toch echt weg, maar aangezien schoonzus een paar broden mee wilde nemen en die op waren, moesten we tijdens het wachten maar alvast een apéro nemen. Zelfs een bekertje cider hakt er op dat tijdstip aardig in, dus toen we eenmaal het gloeiend hete brood in een papieren zak meekregen braken we ook gelijk maar even een stuk van de korst af. Er is eigenlijk bijna niks lekkerder dan dat. 

Na een copieus en uiterst gezellig middagmaal reden tegen vijven weer naar huis. Het was weer een memorabele dag. Een pareltje erbij, aan de ketting.



maandag 10 september 2018

Bol



Jean is geboren en getogen in het huis waarin hij nu 86 jaar woont, waarvan 65 jaar met Marie. Zij kwam uit een dorp hier zeven kilometer vandaan.  Ze spraken daar met nét een beetje een ander accent, maakten de cider nét even anders, maar deze verschillen bleken overbrugbaar. Naast elkaar zitten ze aan de keukentafel te stralen. Het leven is niet altijd goed voor ze geweest, maar ze zijn er nog en zijn heel monter. We zitten er al een half uur voor we koffie krijgen. De meegebrachte stroopwafels vallen in goede aarde. Bij het tweede kopje bieden ze ons er nog één aan. Ik kijk met een schuin oog naar de klok, want ik bemerk enige onrust: het is al kwart voor twaalf, we moeten gaan, rond midi moet de warme hap op tafel staan. Met veel gezoen en geknuffel en gezwaai nemen we afscheid. Onze lunch bestaat uit een stokbroodje camembert en gebakken ei, met een kop thee of glas vruchtensap erbij. Daar zijn we max twintig minuten mee bezig, dan kunnen we weer doorrrr! 


Toen Mathilde en een paar van haar vrienden een paar jaar geleden bij ons in NL op visite waren en wij de ontbijttafel gedekt hadden met brood en hagelslag, bekeek de visite misprijzend hun koffiemok. Men haalde opgelucht adem toen ik met een bol, een kom, aankwam. De café-au-lait werd overgeschonken, voorzichtig sneed Mathilde een bruine boterham in vier reepjes en besmeerde ze met boter, waarna het reepje brood in de mok gedoopt werd, wat een behoorlijke kliederboel werd maar àlà. Met grote ogen keek ze naar de chocoladehagelslag die D. kwistig over zijn boterham strooide. Voor tussen de middag hadden we een lunch bedacht in een pannenkoekenrestaurant, dan was er tenminste iets betaalbaars warms te eten. En gelukkig eten we ’s avonds al nooit voor 19.00 uur, maar nu moesten we het stamppotbuffet na een uitgebreide apéro toch uitstellen naar een uur of half 9. Tenslotte rolden we uitgeput na een hele dag Frans praten en proberen te verstaan in bed.

In Frankrijk volgen we het nieuws via NOS.nl en leren dat Zweden weer meer ultrarechtse stemmers heeft. Iedereen valt over elkaar heen om te roepen hoe verkeerd dat allemaal is. Niemand lijkt in staat in te zien en te erkennen dát er verschillen tussen samenlevingen zijn en dat het een hele toer blijkt daarmee goed om te gaan. Dat het misschien verstandig is de ‘onderbuik’gevoelens van de inheemse bevolking nu eens serieus te nemen, zonder direct beticht te worden als nazist en fascist. Want dat die gevoelens er zijn, mag best erkend worden.

Denemarken lijkt een land te zijn waar het probleem niet meer zo zwartwit benaderd wordt. Daar erkent men dat de Deense bevolking problemen heeft met immigranten. Er wordt actief gewerkt aan integratie. Duidelijk wordt gemaakt dat als er op school islamitische kinderen zitten, de ouders daarvan niet het recht hebben te eisen dat varkensvlees niet meer op het menu mag staan. Dat is niet aan hen. Maar dat hun kinderen het natuurlijk niet hoeven te eten. Dat de overheid bespreekbaar maakt dat mensen uit andere landen welkom zijn, maar dat het niet zo is dat het gastland zich dan moet aanpassen aan hun gewoonten en wetten. Dat er van gasten in een land verwacht mag worden dat zij de gewoontes daar respecteren. Dat doen wij Nederlanders in Frankrijk of waar ook ter wereld toch ook? En zo niet, dan krijgen we toch straf? 
Als er nou eerst eens een politieke partij kwam die daadwerkelijk erkent dat mensen nu eenmaal zo in elkaar steken. Ik bedoel maar, zelfs op zeven kilometer heb je al een cultuurverschil. Ook binnenslands.

Wij drinken in Frankrijk ’s ochtends onze thee niet uit een bol maar uit een theeglas en eten nog steeds ’s avonds onze hoofmaaltijd, behalve als we op visite zijn. Wij doen ons best Frans te spreken en we houden (meestal) onze mond als we dingen zien of horen die toch echt wel bestempeld kunnen worden als ‘typisch Frans’. Ik vraag me wel eens af, hoe dat zou zijn als Fransen opeens massaal naar Nederland uit zouden wijken. Eén ding: het zou de verkoop van bols érg bevorderen. Want integreren is niet iedereen gegeven. 
























donderdag 30 augustus 2018

Verzameling




Een verzameling ontstaat vaak eigenlijk volkomen onbewust. Pas na enige tijd realiseer je je dat je een verzamelaar bent. En dat terwijl je dat eigenlijk helemaal niet wilde.

Mijn verzameling begon op een zonnige zondagmiddag in augustus 2003. De huisartsenvrouw had met een vriendin in de voormalige praktijk van hun woning een winkeltje ingericht met Franse brocante. Dat stond toen nog een beetje in de kinderschoenen dus ze hadden hier wel een gaatje in de markt te pakken. Zij waren begonnen Franse spulletjes te verzamelen tot het niet meer in hun interieur paste en toen gingen ze het verkopen. Heel slim, zo houd je een verzameling overzichtelijk én levendig. Op een plank in de behandelkamer stonden twee voor mij tot dan toe onbekende objecten. Het waren een soort trommeltjes, ze waren geëmailleerd, de ene had een extra aluminium bakje bovenin en ze konden dichtgeklemd worden met aan weerszijden een klemmetje, waar het handvat nog weer overheen ging zodat het onmogelijk was het trommeltje open te laten vallen. De binnenkant was in een heel andere kleur geëmailleerd. Geen van beide uitbaatsters kon mij vertellen wat dit voor trommeltjes waren. Geïntrigeerd door de terloopse schoonheid van toch een industrieel product kocht ik er één voor 7 euro. Twee leek me onnodig. Bovendien miste die het aluminium bakje. Ik nam het mee naar huis en zette het in mijn vitrinekast. Zo kon ik er elke dag naar kijken.

In datzelfde jaar kocht onze vader het familiehuis waar wij nu naartoe gesemigreerd zijn. Er waren toen in de omgeving nog tal van brocantewinkels en omdat het huis moest worden ingericht, kwamen we daar regelmatig. Op één van die bezoeken trof ik weer zo’n trommeltje aan, hangend aan een spijker. Het had een heel andere kleur, ook van binnen. Aan de eigenaar vroeg ik hoe zo’n trommeltje heette en waar het voor diende. Hij zei dat het een gamelle was, een soort lunchbox. Hoe, wat, waar en wanneer, dat wist hij allemaal niet. Hij wilde er tien euro voor hebben, ik hing hem terug. We kwamen uit op 7. En misschien was ik me er toen nog niet van bewust, maar op dat moment begon mijn verzameling. Want ik had er nu twee én ik had een prijs in m'n hoofd die ik ervoor wilde betalen. En toen manlief er één tussen de rommel vond in de oude remise, de schuur achter het huis, een prachtige donkerrode, wist ik dat het zo moest zijn.

In de jaren daarna speurden wij in brocantewinkels (waar er steeds minder van kwamen) en op vide greniers en foires-à- tout (waar er steeds meer van kwamen) naar gamelles. Maar héél zelden vonden we ze. In het begin waren ze nog best prijzig, maar ik had mezelf beloofd er nooit meer dan 7 euro voor te betalen en dat lukte altijd. Er waren ook regels in het spel: alleen ík mocht ze vinden, manlief niet en ik wilde ze ook niet cadeau krijgen. Andere mensen gingen namelijk meehelpen en de sport van een verzameling vind ik nou juist dat je het helemaal alleen moet doen. Ik heb wel een paar keer gesjoemeld. Een keer zag ik aan de opgewonden lichaamstaal van manlief dat er eentje in de buurt moest zijn (en dat waren er zelfs twee) en één keer belde mijn broer, die had een puntgave groene gevonden in een Rodekruis winkel. Voor 2 euro. Tja, die kon ik toch niet laten staan.


Maar goed, eind 2016 had ik dertien gamelles en was ik nog altijd weinig wijzer over waar ze voor dienden. Ze stonden op een plankje in mijn woonkamer en dat plankje was vol. Dus ik besloot mijn verzameling te beëindigen. Het was mooi zo.

We verhuisden en bij gebrek aan displaymogelijkheden bleef mijn verzameling in een doos op zolder. En toen vond ik vorige week op de vide grenier een knalblauwe gamelle. Het dekseltje miste de rubberen ring maar ik had ook al een kraam gezien waar ze alleen dekseltjes verkochten (nooit eerder aangetroffen, overigens) dus voor 2,50 in totaal had ik er tóch weer één. En afgelopen zondag waren we in St. Ouen-sûr-Iton en daar zag een logerende vriendin een gespikkelde gamelle in een iets andere uitvoering dan de veertien andere dus die heb ik nu ook toegevoegd. Er stond een naam op het klemmetje: Fricotine. Ik heb ook een redelijk moderne rode, daar zit zelfs een barcodesticker op en er staat op: Acier Emaillé pour Pain Marie. Als ik op internet ga zoeken word ik weinig wijzer. Pain Marie leidt zelfs naar onvermoede websites.

Er wordt beweerd dat ze door mijnwerkers gebruikt werden. Ik ben in Alès in het mijnmuseum geweest en heb daar geen gamelles (of cantines) gezien, tenminste geen geëmailleerde. Voor een volwassen man of vrouw vind ik de porties ook klein. En waarom zit er een los bakje bij? Deed men daar een stukje vlees in? Er is er één met een naamlabeltje: François. Waren ze dan voor kinderen? En uit welke tijd dan, want kinderen eten toch bijna altijd warm op school? En waarom, als ze zo algemeen gebruikt zijn geweest, kun je er in vijftien jaar vijftien vinden én is er nauwelijks informatie over?


Hoe dan ook, mijn verzameling staat sinds de jongste aankopen weer te pronken op de Normandische keukenkast. Daar stonden enkele ‘meest wanstaltige soepterrines’ ooit. Maar dat is weer een ander verhaal. 





dinsdag 21 augustus 2018

Gliraria





Op het platteland heb je te maken met allerlei kruipend, vliegend, sluipend en zwemmend gespuis. Veel mag blijven, maar soms moet je ook tot harde maatregelen overgaan. In ons geval betreft dat de diersoorten wespen en hoornaars wegens allergie voor de steek van deze verder nuttige ‘dames’ (maar daar hebben we dit jaar helemaal geen last van) en muizen. Tenminste, de muizen die bij ons in huis wonen en ons ’s nachts wakker maken met hun uitbundig lawaaiige, in sneltreinvaart uitgevoerde charges op de zoldervloer. Ze komen ook wel buiten, bijna al onze gasten hebben ze over het hek zien rennen en ze broodkruimels gevoerd in het vogelhuisje. De kleine loedertjes zijn er ook een keer in geslaagd in het voorjaar in de afgesloten privékast te komen en hebben daar ALLES wat er stond aangeknaagd en volgepiest en - gepoept. Een hele dag had ik nodig om alles op te ruimen en toen stonk het nog. Sindsdien gaat alles in plastic containers. En misschien (ik hoop het) waren dat andere muizen. 
Maar goed, de muizen die op zolder wonen zijn adorable om te zien. Als je boven komt met een mand wasgoed gaan ze er eens goed voor zitten op een balk, hun glanzende kraaloogjes alert op je gericht. Kom je te dichtbij, dan zijn ze in een picoseconde drie meter verder, maar blijven evengoed belangstellend toekijken, hun stereotype lange staart met aan het eind daarvan een pluim om zich heen gevouwen. Een paar jaar geleden troffen we in oktober nesten aan, gebouwd van steenwol en hooi en om het maar eerlijk te zeggen, van mijn favoriete vest dat vergeten een paar maanden over de waslijn gehangen had. Weg ermee, met die nesten. Pas toen gingen we op internet zoeken waar we nu eigenlijk mee te maken hadden en bleken het  loirs, relmuizen, te zijn, behorend bij de slaapmuizenfamilie die van oktober tot april in winterslaap gaat en daarom ook wel zevenslaper genoemd wordt. We hadden die beesten dus op wrede wijze hun slaapkamers ontnomen. Voor we weer vertrokken legden we nieuwe stukken hooi en steenwol klaar, maar ze zijn die winter zeker elders gaan slapen, want in het voorjaar lag alles er nog onaangeroerd bij.

Deze zomer hebben we ze al vaak gehoord. We vragen ons wel af wat ze, behalve feestvieren, op zolder te zoeken hebben, want er is niks te eten. Maar we hebben een vreemde stroomstoring en het zou zomaar kunnen dat zo’n relmuis zijn tandjes in een kabel gezet heeft. Je hebt toch ook boommarters die hele automotoren onklaar weten te maken? En onze winterkleding hangt er, onbeschermd aan een rek. Andere kwetsbare kledingstukken en beddengoed ligt allemaal opgeborgen in van die containers waar je tuinstoelkussens in opslaat.


We staan een tijdje te kijken bij de muizen- en rattenvallen in de Bricomarché. Er is een ruim aanbod aan moordlustig materiaal. Ik zie zo’n zevenslaper al half doormidden gekliefd, overal darmpjes, bekje open in een laatste vertwijfelde piep, tongetje eruit, die uitpuilende, bruine oogjes. Ik ben nu eenmaal een beelddenker. Voor die teergevoelige zielen heeft de commercie natuurlijk ook een optie: een kooitje met een klapdeurtje. Stukje camembert aan een touwtje erin, klapdeurtje op scherp, muis denkt ‘Ha, kaas’, loopt naar binnen, neemt een hapje, nog één en KLATS, deurtje dicht. En ja, als je hem dan buiten hebt vrijgelaten is hij alweer eerder thuis dan jij.

En zo hoorden we het vanmorgen ook letterlijk gebeuren, tegen 7 uur pas. Hoofd Operatie Relmuis kwam triomfantelijk met het kooitje naar beneden. Een tijdje hebben we de geschrokken jongeling (het was geen baby, maar ook nog geen volwassen relmuis) bekeken. Van schrik deed hij een heleboel poepjes. Op weg naar de markt hebben we hem op een kilometer van het huis in het struikgewas losgelaten. Nu bleef hij echt niet even gezellig naar ons zitten kijken, hij wist wel beter. 

Het is natuurlijk geweldig inconsequent. Onze beide Smouzen gaan bijna dagelijks op jacht en komen met een bek vol muis binnen. We prijzen ze daarvoor. We hebben ook overwogen de dames een nachtje op de zolder te laten doorbrengen. Of een kat bij B(r)oer te lenen. Maar het is bij overwegingen gebleven. Ze mogen zelfs niet eens de trap op.

Op Wikipedia lees ik dit: De relmuis gold bij de Oude Romeinen als een lekkernij. De dieren werden gehouden en vetgemest in potten, gliraria genaamd. Als de dieren vet genoeg waren, werden ze gelakt met honing of gevuld met varkensvlees, gebraden en opgegeten. Tot vandaag worden relmuizen gegeten in Slovenië en Kroatië.

Tja. Dat is ook nog een optie, van de nood een deugd maken. Maar ook niet helemaal mijn ding, in dit geval. Ik ga ‘m straks weer neerzetten, de val, nu met een stukje Comté erin. En dan laat ik dat kleine lastpakje los bij de andere en dan zoeken ze het maar lekker samen uit, daar in de wildernis, waar ze tenslotte echt thuis horen.





maandag 13 augustus 2018

De cirkel van het leven





Uit een ooghoek zag ik iets langs het raam vallen en toen ik opstond en naar buiten keek, wriemelde er even iets in het gebladerte van de hortensia’s. Toen was het stil. Ik ging kijken wat het was en ja hoor: dode merelvrouw nummer drie. De eerste vond ik in de border, de tweede was me weken geleden rakelings gepasseerd toen ik in de tuin aan het werk was. Ze plofte levenloos uit de lucht naast me neer. Ook die leek, net als deze jonge dame,  in volle vlucht getroffen te zijn door een acute hartstilstand. De oogjes nog helder, het snaveltje dicht, het lijfje  warm in mijn handen (ik had al rubberen handschoenen aangetrokken) maar toch echt dood. Een slachtoffer van de merelziekte, die kennelijk flink huishoudt onder deze vogelsoort. En wat doe je dan met zo’n lijkje?

Als B(r)oer onderweg een verkeersslachtoffer tegenkomt stopt hij als het kan om het beest van de weg in de berm te trekken. ‘Dan zeg ik even een paar woordjes. Gewoon, zodat hij veilig in de hemel komt.’ Nee, mijn broertje is geen alledaagse persoonlijkheid. Hij kan ook zeer ontroerd raken van een piepklein vliegje dat over zijn arm loopt. ‘Dat heeft dan toch maar een hartje en een stofwisseling en oogjes, dat is toch geweldig!’ Hij is het type dat een slak op een andere plek in de tuin zet in plaats van er korte metten mee te maken. Hij heeft een tot aan de hoogste rechterlijke macht verbeten strijd gevoerd tegen het systematisch uitroeien van runderhorzels. Franse veeboeren werden daartoe verplicht, jaren geleden. Hij heeft zijn zaak verloren. Maar hij kreeg geen straf.  Zijn argument, dat er voor ieder dier een plek in de cirkel van het leven is viel uiteindelijk in goede aarde. Maar wel alleen op zijn bedrijf. En veel last van runderhorzels had hij niet, want alle omringende veeboeren spoten natuurlijk wel en roeiden zo een hele diersoort uit.  

Die cirkel is natuurlijk al lang niet meer rond, maar toch. Ik bedoel, wij hebben onlangs ook een paar wespennesten laten verdelgen (“98% talkpoeder, mevrouw”) en we hebben twee batterij gestuurde vliegenmeppers in huis om lastige beestjes te verkolen. En er hoeft maar één mug in de slaapkamer te zijn of al het licht gaat aan en de jacht wordt in gezet. Met alle mogelijke middelen.

Intussen stond ik nog steeds met die merel in mijn handen. Een kuil in de kneppelharde Normandische kleigrond graven was geen optie. Het beest ergens tussen de struiken gooien evenmin: onze jachthonden weten zo’n prooi feilloos te vinden. Bovendien, het was een aangetast dier, ik vond dat zij uit de cirkel moest.

Ik heb haar in het ‘overig afval’ gedaan. In de biologisch afbreekbare vuilniszak die zelf eerder verteert dan dat de vuilniswagen langskomt, dus die zak heb ik nog maar even weer in een andere plastic zak overgedaan. Morgen gaat ze bij de weg. Wat er hierna met haar gebeurt hoef ik niet te weten. Maar ik heb wel even zacht ‘goede reis, lieve merel’ tegen haar gefluisterd, voordat ik de zak dichtbond. En dat heb ik dan toch maar weer opgestoken, van die broer van me!

dinsdag 7 augustus 2018

Marktdag in augustus













Het is vandaag vast de warmste marktdag ooit. Nu zijn we nog nooit in augustus in La Noblet geweest, dus dat kan gauw. En er is nog iets heel opvallends: het is Zuid-Europees druk op de markt. Waar komen ál die mensen vandaan? Natuurlijk zijn er vast ook toeristen, want de markt van L’Aigle is een van de grootste van Frankrijk. Zeker vandaag, nu iedere plek tot de laatste vierkante meter bezet is. We hebben gelukkig wel vrij snel een plekje voor de auto gevonden, want de eerste bezoekers zijn rond half tien alweer op weg naar huis. Voor ons loopt een stel waarvan de vrouw het zwaar heeft met de hitte. Ze schommelt heen en weer, haar beide bh bandjes zijn van haar schouders gerold, haar jurk kruipt op om zich tussen huidplooien te nestelen. Soms trekt ze hem naar beneden. Haar man draagt wat onze dochter een ‘wife beater’ noemt, een strak hemd zodat je zijn gebronsde schouders met diverse tattoos goed kunt zien. Overigens denk ik niet dat hij zijn vrouw slaat hoor, hij pakt zo nu en dan haar hand even vast als ze dreigt te kapseizen.

Is een markttempo normaal al niet snel, nu gaat het helemaal langzaam. Elkaar zorgvuldig niet aanrakend schuifelt men in dichte drommen langs de kramen. Ook daar doet zich een fenomeen voor: er hangt de meest vreselijke kleding van dunne kunststof afgebiesd met enorme kanten randen of gekleurde kwastjes langs de halslijn. Ik sta enige tijd te kijken of er ook iemand is die dat koopt, maar ik zie weinig handel. Als ik zie dat de marktkoopman aanstalten maakt mij aan te schieten loop ik door. We halen onze biologische groenten zoals altijd bij Marianne, ze heeft zelfs nu een hulp. Er ontstaat onenigheid in de rij omdat iemand alle zeven courgettes die er nog zijn alvast in haar tas gedaan heeft en de mevrouw voor mij die aan de beurt is ook courgettes wil. Marianne bemiddelt op haar vriendelijke, bescheiden wijze en de dame achter mij haalt schoorvoetend twee courgettes uit haar tas. Eigenlijk had ik er ook één gewild maar ik laat het maar zitten. Maar dat er om biologisch voedsel gestreden wordt doet me wel deugd!

We besluiten de visboer en de slager vandaag over te slaan, het zijn de hondsdagen, dingen bederven snel en zeker bij 32 graden. We gaan eerst maar eens koffiedrinken. In O'Chateau ontmoeten we Raoul met een andere vrouw dan de laatste keren dat we hem zagen. Het is direct duidelijk dat dit een nieuwe vlam is, wat ik eigenlijk een beetje jammer vind want ik was net gewend aan de vorige. En je kon erg met haar lachen! Waarom is ze nu weer ingeruild? Deze lijkt vriendelijk genoeg, is weinig jonger dan Raoul maar heeft wel een vreselijk tuttig hondje op haar arm dat bijna in me bijt als ik haar onhandig de twee begroetingskussen op de wangen druk. Ik ben benieuwd hoe lang het nu weer met deze gaat duren. Later hoor ik van B(r)oer dat Agathe al eerder in beeld was maar is vertrokken omdat ze steeds overhoop lag met de hond van Raoul. Die tolereerde geen andere vrouwen in Raouls bed. Kennelijk is het ijs nu dankzij dat kleine mormel van haar gebroken.

Na de koffie sjokken we weer richting auto. Ik kijk nog even op de bloemenmarkt omdat ik graag wat bloeiends wil kopen om de planten die het in de droogte niet gered hebben te vervangen, maar er is weinig aanbod meer en voor chrysanten is het nog veel te veel zomer. Grote walmen komen ons tegemoet van een kraam waar worsten en patat gebakken worden. Het idee. Voor ons uit loopt het stel weer dat tegelijk met ons naar de markt ging. Grappig hoe zoiets vaak gebeurt: kennelijk hebben mensen evenveel tijd nodig om, zoals in dit geval, een rondje markt te doen. Hij draagt de tassen, zij wordt ontzien. Ze draagt nu een katoenen hoedje, dat had ze op de heenweg nog niet op. Onderweg naar huis betrekt de lucht. Er vallen wat regendruppels. Morgen zal het zomaar zeker 12 graden koeler zijn. Ik kan me er niets bij voorstellen.

maandag 30 juli 2018

Om een boodschap





‘Een paar moertjes, 10 mm, kleine verpakking.’ Ik lees de Whatsapp net als ik in de auto zit om weer huiswaarts te gaan na de boodschappen. Op zich houd ik erg van een bezoekje aan de Nuttige Dingenwinkel Emeraude, waar ik op dit moment het dichtste bij ben, maar tegelijkertijd had ik dit bericht liever niet gelezen. Want ik vrees dit soort opdrachten. En ik krijg gelijk.

Ik sta voor het meterslange boutjes- en moertjes rek. Gegalvaniseerd? Zink? Kunststof? Zwart?  Die 10 mm, is dat de buitenmaat of die van het gat? Wat is een kleine verpakking? Ik zie ze van 500, van 50, maar je kunt ze ook per stuk kopen. En wat bedoelt hij dan met ‘een paar?’ Toch geen twee? Ik bel. Er wordt, ik had eigenlijk al niet anders verwacht, niet opgenomen. Mijn Hoofd Werkplaats is altijd mobieler dan zijn telefoon. Zal ik dan maar de gok wagen en een paar verschillende meenemen? Ik bedoel, ruim 20 km rijd je ook niet even um sonst heen en weer. En aan de andere kant……hoe vaak ben ik al niet weggestuurd met vage aanwijzingen en ‘dat vind je zo’? Koperen buis: 10, 12, 15 mm? Hoe lang? Wandcontactdozen: opbouw, inbouw, geaard? Elektriciteitsmateriaal in het algemeen: verdeeldozen met aansluitingen bovenin? Zijkant? Boven- of onder in de zijkant? En dat was dan in de tijd dat onderling mobiel bellen in het buitenland een godsvermogen kostte dus dan ging je smssen. En vervolgens wachten op het antwoord. Buiten op de stoep, want meestal had je binnen niet eens bereik. Stond je daar vreemd aangekeken te worden bij de uitgang van zo’n Nuttige Dingenwinkel.  Wij waren indertijd gezegend met zeker vijf Brico’s en Gédimats binnen een straal van 25 km, wat inhoudt: niet veel dichterbij.

Ik heb wel eens gespijbeld. Ging ik op een terrasje zitten en de krant lezen en doen alsof ik een gewone toerist was, niet een boodschapper op een schier onuitvoerbare queeste.

Eén ding wil ik je als mogelijk potentiële huiseigenaar in Frankrijk meegeven: haal je materiaal bij één en dezelfde zaak. Want als je het verkeerde meebrengt, of te veel, heb je soms geen idee meer waar je de spullen vandaan gehaald hebt.  Zo liggen er hier op zolder nog wel wat overtollige kabelgoten, VD draad en vooral veel verkeerde zakken gips. Dit allemaal overpeinsd hebbende verlaat ik de winkel zonder iets gekocht te hebben. Wat een unicum mag heten.  

Eenmaal thuis vraagt hij of ik die moeren nog meegenomen heb. ‘Gut, dat las ik net toen ik al bijna weer thuis was.’
‘O, gelukkig,’ zegtie. ‘B(r)oer had er nog honderden. Ik heb er een paar van hem meegenomen.’ Hij opent zijn hand en daar liggen ze. Gegalvaniseerd, gat 10 mm. Geen paar, acht. 






zondag 22 juli 2018

Meeleven






Omdat alleen daar Wifi is zit ik op het terras van de camping achter mijn laptop. Er is altijd wel iets dat ik niet kan laten wachten – voor mijn eigen gemoedsrust. Het terras is leeg maar aan de tafel naast mij schuift een meneer aan nadat hij zijn bestelling heeft doorgegeven in vlekkeloos Frans. Ik schat hem tweede helft zestig.  Ik ben aan mijn laptop gekluisterd en lichtelijk verrast als de meneer zijn klingelende telefoon ter hand neemt en er in het Nederlands tegen begint te praten.

Eerst komt er een kleindochter aan het woord. Het contact verloopt wat moeizaam want ze praten steeds precies tegelijkertijd. Het gaat over afzwemmen en hoe het op school was.

‘Gaat het allemaal?’ Dochter heeft een snik in haar stem.’ We zorgen goed voor de bloemen hoor, gisteren heb ik er nog een vers boeket op gelegd. Er zijn nog zoveel bloemen!’ Pa reageert omzichtig dankbaar, gaat niet in op de tranen. Natuurlijk is het direct duidelijk waar het hier over gaat. Meneer is alleen en voor het eerst zonder mama op vakantie met de caravan. ‘Ik heb gevraagd of ik morgen een andere plek mag, die ik nu heb is teveel in de schaduw, een beetje somber.’ En:

‘Tja, het is wel raar hoor. Overal waar ik kom ben ik met haar geweest. Ik moet het steeds vertellen. Iedereen is geschokt. Vorig jaar was ze er nog bij! Maar verder gaat het z’n gangetje hoor. Ik geef ’s avonds mijn gegevens door, net als altijd.’ Ik tik driftig een antwoord op een email en denk dat het vast een campingcontroleur is, deze meneer. Van de ANWB of de ACSI. Leuk baantje, je bent het hele seizoen op vakantie! Er wordt ingezoomd op schoonzoon, die ook wat roept. Er komt nog een ander kleinkind aan het woord. En opeens vind ik het heel vervelend, zo ongevraagd opgenomen te worden in het leven van een volstrekt vreemde. Waarom gaat die man zo dicht naast me zitten? Het héle terras is leeg! Waarom loopt hij niet een eindje weg? Nu móet ik er straks wel iets van zeggen, als het gesprek is afgelopen. Het is toch raar als ik dat niet doe – hij weet nl inmiddels dat ik ook Nederlandse ben want manlief is aangeschoven met een biertje voor hem en een rosé voor mij.

Natuurlijk raken we met elkaar in gesprek nadat hij zijn Facetime sessie beëindigd heeft. Natuurlijk voelen we mee met zijn verlies. Natuurlijk blijkt hij campingcontroleur te zijn ('Ik kom altijd onaangekondigd'). Maar ik blijf het niet natuurlijk vinden dat mensen hun hele hebben en houden op een Frans terras ten gehore brengen. Alsjeblieft. Laat dat.


Een jaar op proef

Een jaar in Normandië -slot-

Weer terug in La Noblet na bijna zes weken Nederland voelt als thuiskomen. Net zoals het voelt als we in Nederland in ons Bak...